>>>Uittreding en uitsluiting volgens het nieuwe wetboek vennootschappen en verenigingen (WVV) (Talo Advocaten)

Uittreding en uitsluiting volgens het nieuwe wetboek vennootschappen en verenigingen (WVV) (Talo Advocaten)

Auteur: Tim De Clercq (Talo Advocaten)

Publicatiedatum: 20/04/2021

Het nieuwe wetboek vennootschappen en verenigingen (hierna WVV) heeft ingrijpende wijzigingen doorgevoerd in de geschillenregeling m.n. in de discussies tussen aandeelhouders inzake uittreding en uitsluiting. De rechter krijgt van de wetgever de bevoegdheid om alle “er rond hangende” geschillen (rekening-courant, niet-concurrentiebeding discussies etc.) in één en dezelfde procedure te beslechten. Ook de discussie omtrent de “peildatum” en de waardering van de aandelen kan nu door de rechter, zetelend zoals in kort geding, worden getrancheerd. Een efficiëntere procedure voor de rechtzoekende en meteen zekerheid voor de vennootschap.

Kort nog even de huidige wettelijke grondslagen:

Artikel 2:63 WVV bepaalt dat een aandeelhouder kan worden uitgesloten :

Eén of meer aandeelhouders van een besloten vennootschap die gezamenlijk effecten bezitten die 30 % vertegenwoordigen van de stemmen verbonden aan het geheel van de bestaande effecten, of waaraan 30 % van de winstrechten zijn verbonden, kunnen om gegronde redenen in rechte vorderen dat een aandeelhouder zijn effecten aan de eisers overdraagt.

Voor de uittreding is de basis artikel 2:68 WVV

Iedere aandeelhouder kan om gegronde redenen in rechte vorderen dat zijn effecten worden overgenomen door de aandeelhouders op wie deze gegronde redenen betrekking heeft.

Het verschil tussen beide blijft ook in het nieuwe wetboek bestaan. Daar waar bij de uittreding ingevolge het handelen van een bepaalde aandeelhouder in redelijkheid niet meer kan gevraagd worden van een andere aandeelhouder om nog verder aandeelhouder te blijven is het bij de uitsluiting dat er voldoende ernstige onenigheid tussen de vennoten moet vast te stellen zijn die de fundamentele belangen of de continuïteit van de vennootschap in het gedrang brengt.

De uitsluiting hoeft niet per sé te bestaan in een laakbare gedraging van één van de vennoten (zoals bij de uittreding) maar wel in de vaststelling van de blokkage binnen de vennootschap en het gebrekkig functioneren dat daar het gevolg van zou kunnen zijn.

Een blijvende en fundamenteel slechte verstandhouding tussen de aandeelhouders, die geen gewone onverenigbaarheid van karakter is, kan een gegronde reden vormen in de zin van artikel 2:63 WVV, zelfs indien men niet kan uitmaken bij wie de fout van de situatie ligt, wanneer deze ernstige en diepgaande slechte verstandhouding kan leiden tot een gevaar voor de continuïteit zoals, maar niet noodzakelijk, een blokkering van de maatschappelijke organen.

Het wetboek vennootschappen en verenigingen verruimt in de nieuwe wetgeving gevoelig de mogelijkheid van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank om kennis te nemen van aan de geschillenregeling verwante geschillen.

Deze uitbreiding is o.m. verankerd in artikel 2:62 § 3 WVV waarin bepaald wordt dat de voorzitter over alle samenhangende geschillen (in overeenstemming met artikel 30 van het Gerechtelijk Wetboek) kan oordelen:

  • De financiële betrekkingen tussen partijen en de vennootschap of met haar verbonden vennootschappen of personen , zoals geschillen betreffende leningen, rekeningen-courant en zekerheden; en
  • Niet-concurrentiebedingen;
  • Vergoedingen met betrekking tot het mandaat als manager;

Ook bepaalt het WVV en dit in tegenstelling tot het W. Venn.  een duidelijke regeling met betrekking de bevoegdheid van de rechtbank inzake de peildatum en de waardering van de over te dragen aandelen.

Indien de vordering tot uitsluiting of uittreding gegrond is, dan zal de rechtbank de ene partij veroordelen haar aandelen af te staan (uitsluiting) dan wel in het andere geval een aandeelhouder veroordelen om de aandelen van de uittredende aandeelhouder over te nemen (uittreding).

De rechtbank beoordeelt de waarde van de effecten thans op het tijdstip waarop hij de overname ervan beveelt, tenzij dit tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt. In dat geval mag de rechtbank rekening houden met alle relevante omstandigheden om tot een billijke prijsverhoging of een prijsverlaging.

Het zijn deze 2 aspecten m.n. het zich voordoen van een samenhangend geschil alsook een discussie omtrent de waarde van de aandelen dat aan bod is gekomen in een uitspraak van de rechter zetelend zoals in kort geding (Antwerpen, Afdeling Antwerpen 9 december 2020).

  • Bepaling van de prijs van de aandelen

In het vonnis van 9 december 2020 ging het over de uittreding van een aandeelhouder in een patrimoniumvennootschap.

De aandeelhouder welke om de uittreding verzocht argumenteerde dat de andere aandeelhouder schuldig was aan de verwaarlozing van de diverse onroerende goederen in portefeuille. De Rechtbank ging mee in deze redenering en motiveerde dit als volgt:

Daarnaast toont aandeelhouder X aan dat de panden verwaarloosd zijn. Zij voegt het schattingsverslag bij van de beide panden dat melding maakt van het feit dat het pand aan de JB straat 21 “algemeen uitgeleefd en totaal te renoveren” is, en dat het pand aan de GStraat ook een algemene renovatie vereist. …

Gelet hierop en op de fysieke mishandeling door de aandeelhouder Y van aandeelhouder X is aannemelijk dat zij noch juridisch, noch feitelijk, noch mentaal de mogelijkheid had om in te gaan tegen de verwaarlozing van de panden door aandeelhouder Y.

De door aandeelhouder X bewezen verwaarlozing van de panden geeft aanleiding tot een billijke prijsverhoging.

De rechtbank zal vervolgens naar billijkheid een waardeverhoging toepassing van 12.500 EUR.

De rechter heeft dus gebruik gemaakt van de verruimde beoordelingsvrijheid zoals deze werd toegekend door de wetgever. De rechter kan rekening houden met het gedrag van partijen dat een significante invloed heeft op de waarde van de aandelen.

  • Het regelen van een samenhangend geschil

In dezelfde uitspraak van 9 december 2020 zal de rechtbank zich eveneens uitspreken over een lening welke aandeelhouder X zichzelf, via de vennootschap, had toegekend.

De aandeelhouder had hier zowel in haar hoedanigheid van bestuurder getekend (schuldeiser) alsook in haar hoedanigheid van ontlener (schuldenaar).

De bevoegdheid van de voorzitter zetelend zoals in kort geding is door de wetgever uitgebreid om de financiële banden tussen de aandeelhouders en de vennootschap zo efficiënt mogelijk juridisch door te knippen.

2:62§3 WVV

De voorzitter kan alle samenhangende geschillen beslechten over de financiële betrekkingen tussen de partijen en de vennootschap. Of met haar verbonden vennootschappen of personen, met name geschillen betreffende leningen, rekening-courant en zekerheden over niet concurrentiebedingen.

Gelet op het uittreden van aandeelhouder X werd zij veroordeeld tot terugbetaling van de lening van 105.000 EUR aan de vennootschap.

Merkwaardig dus dat de rechtbank niet besloot tot de nietigheid van de overeenkomst ingevolge het niet naleven van de regeling inzake belangenconflicten maar wel dus in toepassing van artikel 2:62§3 WVV.

****

De nieuwe regelgeving lijkt er dus voor te zorgen dat – bij het openen van de doos van pandora ingevolge het aandeelhoudersconflict – er slechts 1 beslissing nodig is van de rechter zetelend zoals in kort geding.

Hoeft geen betoog dat één en ander op termijn zijn positieve invloed hebben op de werklast van de rechtbanken en ook een positieve invloed heeft op de rechtsonderhorige.

Met één beslissing kan alles geregeld worden en kunnen de aandeelhouders verder hun weg gaan.

Lees hier het originele artikel

2021-06-02T13:19:09+00:00 2 juni 2021|Categories: Vennootschapsrecht|Tags: , , |