>>>Tijdelijke handelsvennootschap wordt tijdelijke maatschap: impact voor de schuldeiser?! (Advocatenbureau Van Cauter)

Tijdelijke handelsvennootschap wordt tijdelijke maatschap: impact voor de schuldeiser?! (Advocatenbureau Van Cauter)

Auteur: Advocatenbureau Van Cauter

Publicatiedatum: maart 2019

Ingevolge de invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen verdwijnt vanaf 1 mei 2019 de tijdelijke handelsvennootschap en wordt deze vervangen door de tijdelijke maatschap. De vraag stelt zich of deze wijziging een impact heeft op schuldeisers van de tijdelijke maatschap.

Oude regeling.

Overeenkomstig art. 53 van het Wetboek van Vennootschappen zijn de vennoten in een THV hoofdelijk gehouden jegens de derden met wie zij hebben gehandeld. Deze hoofdelijke gehoudenheid impliceert dat de derde elke vennoot van de THV voor de gehele schuld kan aanspreken. Volgens bepaalde doctrine geldt deze hoofdelijke gehoudenheid van de vennoten ten aanzien van derden enkel op het vlak van de contractuele aansprakelijkheid, maar niet op het vlak van de buitencontractuele aansprakelijkheid[1]. Moet dit standpunt worden gevolgd dan kan deze derde enkel van de schadeveroorzakende vennoot in de THV een schadevergoeding bekomen. Een derde die in beginsel enkel over een buitencontractuele aansprakelijkheidsvordering beschikt, is bijvoorbeeld de naburige eigenaar van een gebouw die ingevolge de activiteiten van de THV schade aan zijn gebouw ondervindt.

Nieuwe regeling.

Ingevolge de invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen[2] (hierna ‘het WVV’) wordt vanaf 1 mei 2019 de THV vervangen door de maatschap. Deze maatschap krijgt het karakter van een tijdelijke maatschap indien deze vennootschap slechts voor een welbepaald project wordt opgericht. Overeenkomstig art. 4:14 van het WVV kunnen de schuldeisers wier schuldvordering voortvloeit uit de activiteit van de vennootschap hun verhaal uitoefenen op het volledige vennootschapsvermogen. De vennoten zijn t.a.v. deze schuldeisers persoonlijk en hoofdelijk gehouden met hun eigen vermogen. Het is daarbij niet noodzakelijk dat deze schuldeisers met één of meerdere vennoten in de maatschap hebben gehandeld. Ook de schuldeiser die louter over een buitencontractuele schuldvordering t.a.v. de maatschap beschikt, kan derhalve voortaan uitdrukkelijk elk van de vennoten voor zijn gehele schade aanspreken.

Op de tijdelijke maatschappen, die vanaf 1 mei 2019 worden opgericht, is art. 4:14 van het WVV onmiddellijk van toepassing. De reeds bestaande tijdelijke handelsvennootschappen hebben tot 1 januari 2020 tijd om zich aan deze wettelijke uitbreiding/verduidelijking desgevallend aan te passen.

Persoonlijk standpunt

Hoewel de meeste bestaande tijdelijke handelsvennootschappen in hun statuten geen onderscheid maken naargelang de benadeelde derde over een contractuele schuldvordering dan wel over een louter buitencontractuele schuldvordering beschikken, kan deze wettelijke uitbreiding/verduidelijking de samenwerking tussen vennoten in de tijdelijke maatschap onder spanning zetten. Voornamelijk bij niet-geïntegreerde tijdelijke maatschappen, waar de te betalen schadevergoedingen aan derden onderling tussen de vennoten in beginsel wordt verdeeld volgens het deel van elk van de vennoten in de toegewezen opdracht, kan dit m.i. het geval zijn indien de maatschap schade aan derden toebrengt waarvoor de verantwoordelijkheid niet éénduidig bij één van de vennoten kan worden vastgesteld.

Lees hier het originele artikel

[1] FLOOR, D.-B., Tijdelijke handelsvennootschappen, Gent, Larcier, 2007, randnr. 140 en SIMONART, V., L’association momentanée, Brussel, Créadif, 1989, p. 69-70.

[2] Wet van 23 maart 2019 tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen, BS 4 april 2019.