>>>Regularisatie van een onregelmatige quasi-inbreng (aternio)

Regularisatie van een onregelmatige quasi-inbreng (aternio)

Auteur: Liese Leman (aternio)

Publicatiedatum: 23/11/2020

Wie vroeger een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (BVBA) oprichtte, diende een inbreng te doen om kapitaal te vormen. Dit kon via een inbreng van geld of een inbreng in natura. Daarnaast bestond ook nog de mogelijkheid van de quasi-inbreng.

Vermits in de ‘nieuwe’ besloten vennootschap (BV) het kapitaalbegrip is afgeschaft, zijn ook bepaalde spelregels veranderd. Zo zijn de regels voor een quasi-inbreng weggevallen.  Bij een naamloze vennootschap (NV) blijven de regels inzake quasi-inbreng bestaan, de NV blijft immers beschikken over een dwingend kapitaal.

We blikken even terug en maar naar aternio’s goede gewoonte kijken we ook vooruit.

Quasi-inbreng – bestaansreden

De term ‘quasi-inbreng’ kan verwarrend zijn. Het is immers geen echte inbreng, maar wel een verkoop. Een verkoop die is voldaan in gelden en niet in aandelen. Hier zit meteen het grote verschil met een inbreng in geld of in natura.

De regels inzake quasi-inbreng zijn historisch ontstaan doordat de verplichtingen bij inbreng in natura vroeger herhaaldelijk werden ontdoken. In geval van een inbreng in natura, is namelijk de tussenkomst van een bedrijfsrevisor noodzakelijk. De bedrijfsrevisor maakt alsdan een verslag op van de inbreng. Dit kost uiteraard tijd en geld. Dergelijke revisorale tussenkomst bij oprichting wordt in de praktijk door velen ervaren als een prijzige en overdreven formaliteit.

Om hieraan te ontsnappen ging men bij oprichting van de vennootschap niet over tot een inbreng in natura maar deed men een inbreng in geld. Vervolgens besliste de vennootschap meteen om een goed van een oprichter, vennoot (aandeelhouder) of zaakvoerder (bestuurder) aan te kopen. Daardoor hoefden de verplichte verslagen niet meer opgemaakt te worden.

Om deze omzeiling te voorkomen heeft de wetgever de quasi-inbreng ingevoerd.

Oude wetgeving

Op grond van artikel 222 van het oude Wetboek van Vennootschappen dient omtrent elk vermogensbestanddeel hetwelk een BVBA overweegt binnen twee jaar te rekenen van de oprichting te verkrijgen, een verslag worden opgemaakt door de commissaris of door een bedrijfsrevisor. Dit verslag moet enkel worden opgemaakt als het vermogensbestanddeel ten minste een tiende van het geplaatste kapitaal bedraagt. Het vermogensbestanddeel moet toebehoren aan een oprichter, vennoot of zaakvoerder.

Daarnaast moet ook het bestuur een bijzonder verslag opmaken. Deze verslagen worden voorgelegd aan de algemene vergadering die vervolgens stemt over de voorgenomen quasi-inbreng.

Indien er geen verslag voorhanden is of geen algemene vergadering is gehouden inzake deze quasi-inbreng (lees verkoop), dan is deze vennootschapshandeling ongeldig. De bestuurders zijn daarenboven aansprakelijk wegens de miskenning van de bepalingen van de wet.

Regularisatie

Wanneer een BVBA begin 2019 een quasi-inbreng heeft verricht zonder de formaliteiten na te leven is de verkrijging onregelmatig. Eind 2020 wil de BV (want u weet dat de BVBA niet langer bestaat) deze situatie echter rechtzetten.

Kan men deze situatie überhaupt nog regulariseren?

Er is volgens het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV) geen sprake meer van een quasi-inbreng voor een BV.  Aangezien het WVV geen vormvereisten voorschrijft voor een dergelijke inbreng, dient de regularisatie dan te gebeuren overeenkomstig de bepalingen van het oude wetboek? Is een regularisatieverslag de oplossing?

De vormvereisten van de artikelen 220 tot 222 van het Wetboek van Vennootschappen spelen hier. Aangezien het de bestuurders zijn die aansprakelijkheid oplopen, zijn zij diegene die actie dienen te ondernemen. Het bestuursorgaan kan de situatie regulariseren door een buitengewone algemene vergadering bijeen te roepen om te beslissen over de verkrijging mits zij ook een verslag van een bedrijfsrevisor aanbrengen.

Quasi-inbreng bij een naamloze vennootschap

In het WVV zijn de bepalingen voor de quasi-inbreng voor een naamloze vennootschap behouden en opgenomen onder artikel 7:8 ev.

Het personeel toepassingsgebied is evenwel verruimd. Het wetboek spreekt nu over een vermogensbestanddeel dat toebehoort aan een persoon door of namens wie de oprichtingsakte is ondertekend, aan een bestuurder, een lid van een directieraad of een raad van toezicht, of aan een aandeelhouder. De verkrijging dient nog steeds binnen de 2 jaar na oprichting te gebeuren tegen een vergoeding van ten minste 10 % van het geplaatste kapitaal.

Hier blijft de verslagplicht bestaan op straffe van bestuursaansprakelijkheid.

Conclusie

In de NV dient het bestuursorgaan nog steeds de wettelijke regels van de quasi-inbreng na te leven. In de BV is er onder het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen geen noodzaak om zich aan gelijkaardige regels te houden. Een regularisatie van een oude onregelmatige quasi-inbreng kan echter nog aan de orde zijn. Het oude wetboek wordt alsdan nog even van onder het stof gehaald.

Lees hier het originele artikel

2020-12-03T11:12:47+00:00 4 december 2020|Categories: Vennootschapsrecht|Tags: , , , , |