>, Straf- en strafprocesrecht>Silence is golden. Over zwijgrecht, medewerking en tegenwerking bij sociale inspectie (Cautius)

Silence is golden. Over zwijgrecht, medewerking en tegenwerking bij sociale inspectie (Cautius)

Auteur: Chris Persyn (Cautius)

Publicatiedatum: 15/10/2020

Het zwijgrecht aan de ene kant, en het toezicht op de naleving van het sociaal recht aan de andere kant: het is een wankel evenwicht. Echte medewerking aan een onderzoek lijkt op basis van de actuele rechtspraak niet te worden gevergd, tenzij het gaat om het afleveren van wettelijk verplichte documenten die onafhankelijk van de wil van de verdachte bestaan. Een houding die wijst op echte tegenwerking blijft evenwel gesanctioneerd via het delict ‘belemmering van toezicht’.

Tegenwerking, of gebrek aan medewerking?

We hadden het in een vorige bijdrage al over ‘belemmering van toezicht’, in het Sociaal Strafwetboek omschreven als een misdrijf. Aanleiding vormde toen het manipuleren van bewijsmateriaal door de zaakvoerder van een bedrijf waar zich net tevoren een ernstig arbeidsongeval had voorgedaan.

De feiten die aanleiding gaven tot deze casus waren eerder uitzonderlijk, en de veroordeling door de correctionele rechtbank van West-Vlaanderen was terecht. De rechtbank stelde inderdaad vast dat de zaakvoerder bewust een eerder overbrugde veiligheidsschakelaar had laten herstellen voor de aankomst van de inspectie, een handeling die kennelijk van aard was het onderzoek naar de ware toedracht van het ongeval onmogelijk te maken.

Meestal situeert de discussie zich op een ander terrein, en moet een afweging worden gemaakt tussen de rechten die een werkgever geniet als verdachte enerzijds, en het verbod om het toezicht te belemmeren anderzijds. De vraag is dan niet zozeer of er sprake was van tegenwerking, maar eerder of en wanneer een gebrek aan medewerking kan worden gesanctioneerd.

Kan je gedwongen worden je paswoord kenbaar te maken?

Wie verdacht wordt van een misdrijf kan terugvallen op een aantal grondrechten. In de context van deze bijdrage moet daarbij vooral aandacht worden besteed aan het zwijgrecht en het verbod op zelfincriminatie. Dat laatste betekent concreet dat niemand kan worden verplicht zichzelf te beschuldigen. In de juridische literatuur wordt het meestal omschreven als het “nemo tenetur beginsel”. Beide principes worden dermate fundamenteel geacht dat ze voorafgaand aan elk verhoor van een verdachte nog eens duidelijk moeten worden kenbaar gemaakt (art. 47bis, § 2 Wetboek van Strafvordering).

Het voorbije decennium werd heel wat rechtspraak gewezen over de precieze draagwijdte van beide rechten, zij het meestal buiten de context van het sociaal strafrecht. Het minste dat kan worden gezegd is dat de materie volop in beweging is, en geen van beide rechten nog absoluut kan worden genoemd. Zo werd eerder dit jaar zowel door het Grondwettelijk Hof als door het Hof van Cassatie uitdrukkelijk standpunt ingenomen omtrent de verplichting de toegangscode tot een informaticasysteem of gsm te geven aan een onderzoeksrechter die daarom vraagt. Beide rechtscolleges namen unisono aan dat deze verplichting tot medewerking het zwijgrecht en het verbod om zelfincriminatie niet schendt. Ook daarbij was een van de overwegingen dat die code bestaat onafhankelijk van de wil van de verdachte, en de verplichting bovendien de betrouwbaarheid van het bewijs niet aantast (Cass. 4 februari 2020, P.19.1086.N, conclusie advocaat-generaal De Smet, GwH 20 februari 2020, arrest 028/2020). Let wel: de in deze twee zaken getoetste verplichting geldt enkel wanneer ze bevolen wordt door een onderzoeksrechter.

Ook van toepassing bij inspectie

De genoemde grondrechten gelden ook voor verdachten van sociaalrechtelijke misdrijven. Ze worden weliswaar niet uitdrukkelijk hernomen in artikel 62 van het Sociaal Strafwetboek, maar in een omzendbrief van het college van procureurs-generaal lezen we dat de algemene waarborgen uit artikel 47bis van het Wetboek van Strafvordering ook moeten worden nageleefd door sociaal inspecteurs, zodra ze redelijkerwijze vermoeden dat ze te maken hebben met een misdrijf (Col. 15/2014, versie 2 juni 2016). Concreet: ook een sociaal inspecteur die een onderzoek voert naar aanleiding van een ernstig arbeidsongeval zal voorafgaand aan het horen van verdachten lezing moeten geven van zijn rechten. Met inbegrip van het nemo tenetur en het zwijgrecht, waarop de betrokken verdachte zich dan ook kan beroepen.

Belemmering van toezicht indien opzettelijk en bewust

In rechtspraak en literatuur is heel wat te doen geweest omtrent de verenigbaarheid van het delict van belemmering van toezicht met het zwijgrecht en het nemo tenetur beginsel. Wanneer je als verdachte niet verplicht kan worden mee te werken met een tegen je gevoerd strafonderzoek, hoe kan je dan gestraft worden omdat je het de onderzoekers moeilijk maakt?

De voorbije decennia werd over deze vraag nogal eens tegenstrijdige rechtspraak gewezen. Bijvoorbeeld wanneer een werkgever niet komt opdagen wanneer hij door de inspectie wordt uitgenodigd om gehoord te worden, of wanneer hij weigert documenten voor te leggen die hij verplicht moet bijhouden. Dat laatste kan in de visie van het Hof van Cassatie effectief het misdrijf van belemmering van toezicht opleveren (Cass. 21 april 2015, P.13.1258.N). Het louter weigeren om documenten in verband met een detachering te bezorgen aan de sociaal inspecteurs, zonder zich te verzetten tegen het opsporen ervan, werd dan weer geacht geen belemmering van toezicht te vormen (Cass. 6 november 2018, P.18.0339.N, met een bijzonder interessante conclusie van advocaat-generaal WINANTS). Helemaal duidelijk is het dus niet, maar het onderscheid tussen beide arresten gaat allicht terug tot de vraag of het moreel bestanddeel van de inbreuk wel bewezen was; met andere woorden: het opzettelijk en bewust karakter van de belemmering van het toezicht. In de tweede case ging het om een buitenlandse werkgever, aan wie de inspectie bij aangetekende brief de voorlegging van een aantal sociale documenten had gevraagd. De werkgever beantwoordde de brieven niet, en gaf evenmin gevolg aan de uitnodiging tot verhoor. Dit bewijst nog niet dat hij zich op die manier verzette tegen het opsporen van deze documenten. Zijn gedrag kon inderdaad ook op een andere manier worden uitgelegd: nalatigheid, slordigheid, of misschien hadden de brieven hem nooit effectief bereikt.

Gegevens onafhankelijk van de wil

Iets algemener nam het hof ook aan dat het zwijgrecht en het verbod op zelfincriminatie zich niet uitstrekken tot gegevens die van de beschuldigde kunnen worden verkregen door een beroep te doen op dwangmaatregelen, maar die onafhankelijk van zijn wil bestaan (Cass. 7 maart 2018, P.17.0558.F). In deze zaak ging het om het voorleggen van de individuele rekening, één van de verplichte sociale documenten. Anders dan in de vorige case had de werkgever hier uitdrukkelijk beloofd de documenten te zullen bezorgen, en had hij meermaals een concrete afspraak gemaakt voor een verhoor door de inspectie waarop hij telkens niet kwam opdagen. Uit die houding werd afgeleid dat hij wel degelijk de wil had het toezicht te belemmeren; een andere uitleg was hier niet mogelijk.

Lees hier het originele artikel

Dit artikel werd eerder gepubliceerd op HSE World

2020-10-23T07:32:41+00:00 26 oktober 2020|Categories: Sociaal recht - Straf- en strafprocesrecht|Tags: , , |