>, Verbintenissen- en zakenrecht>Hoofdelijkheid en ondeelbaarheid tussen schuldeisers in Boek 5 ‘Verbintenissen’ van het Burgerlijk Wetboek, neergelegd op 24 februari 2021 bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers (LegalNews)

Hoofdelijkheid en ondeelbaarheid tussen schuldeisers in Boek 5 ‘Verbintenissen’ van het Burgerlijk Wetboek, neergelegd op 24 februari 2021 bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers (LegalNews)

Auteur: LegalNews

Publicatiedatum: 19/03/2021

Op 24 februari 2021 werd opnieuw een wetsvoorstel tot invoeging van boek 5 “Verbintenissen” in het nieuw Burgerlijk Wetboek bij de Kamer van volksvertegenwoordigers neergelegd.

Het wetsvoorstel werd ingediend door de heren Koen Geens en Khalil Aouasti, de dames Nathalie Gilson, Claire Hugon en Katja Gabriëls en de heren Ben Segers en Stefaan Van Hecke.

In deze bijdrage staan we stil bij de artikelen over ‘Hoofdelijkheid en de ondeelbaarheid tussen schuldeisers’

Artikel 5.170. Definitie en bronnen

§ 1. Er bestaat hoofdelijkheid tussen schuldeisers wanneer zij recht hebben op dezelfde prestatie en ieder van hen de schuldenaar voor het geheel kan aanspreken. Actieve hoofdelijkheid ontstaat uit de wet of uit een contract. Zij wordt niet vermoed.

§ 2. Er bestaat ondeelbaarheid tussen schuldeisers wanneer zij recht hebben op dezelfde ondeelbare prestatie, omschreven in artikel 5.166, § 2, en ieder van hen de schuldenaar voor het geheel kan aanspreken. Het beding van actieve hoofdelijkheid maakt de verbintenis niet ondeelbaar.

(Toelichting in het wetsvoorstel – eigen selectie zonder verwijzingen)

Om reden dat de hoofdelijkheid en de ondeelbaarheid aan de actiefzijde veel gemeen hebben, worden ze in deze afdeling samen behandeld.

Paragraaf 1 betreft de kenmerken en de bronnen van actieve hoofdelijkheid. Deze komt in de praktijk minder vaak voor dan de passieve hoofdelijkheid. Toch hebben recente codificaties deze figuur, die de inning van een schuld wil vergemakkelijken, behouden.

Bij pluraliteit aan schuldenaars én schuldeisers in overeenkomsten vormt zij trouwens vaak de tegenhanger, aan actiefzijde, van de hoofdelijkheid aan passiefzijde.

Voorbeelden van actieve hoofdelijkheid vindt men tussen de aannemers, deelgenoten van een tijdelijke vennootschap, die de actieve hoofdelijkheid bedingen in het contract met hun opdrachtgever; tussen de titularissen van een gemeenschappelijke bankrekening met volledige handtekeningsbevoegdheid voor elke titularis, zodat elk alleen, als hoofdelijke schuldeiser van de bank, de uitbetaling kan eisen door de bank van het creditsaldo van die rekening.

Ook een schuldenaar kan bij deze figuur belang hebben, bv. wanneer hij bij de aankoop van een onroerend goed in onverdeeldheid de gehele koopsom op geldige wijze aan een van de verkopers wil kunnen betalen.

Het eerste lid definieert de actieve hoofdelijkheid zich inspirerend aan artikel 1197 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 1311, eerste lid, C.civ.fr. Men vindt bij actieve hoofdelijkheid dezelfde kenmerken (en dus ook erg vergelijkbare gevolgen) terug als bij de passieve: er is een eenheid van voorwerp en een pluraliteit van rechtsbanden. Elke schuldeiser is tot dezelfde prestatie gerechtigd en elkeen mag de gehele prestatie vorderen van de schuldenaar.

Het tweede lid bepaalt dat actieve hoofdelijkheid uit een contract zal voortvloeien (en, bij uitbreiding, uit een eenzijdige rechtshandeling, zoals een testament). Zij zal niet uit de aard van de prestatie voortvloeien, maar uit de wil van de partijen. De wet is ook opgenomen als bron, alhoewel er geen bekende gevallen zijn in onze wetgeving. De wetgever is terecht terughoudend om actieve hoofdelijkheid bij wet op te leggen omdat zij een zeer groot vertrouwen tussen schuldeisers veronderstelt en men ze moeilijk algemeen kan invoeren. Het oude artikel 1197 van het Burgerlijk Wetboek vereist dat het contract “uitdrukkelijk” de actieve hoofdelijkheid zou bedingen. Zoals voor de passieve hoofdelijkheid, bepaalt het voorstel dat zij niet wordt vermoed. Een impliciete wilsuiting van de schuldeisers kan dus volstaan op voorwaarde dat die wil vaststaat en zeker is.

De tweede paragraaf betreft de actieve ondeelbaarheid en herformuleert de regels van de artikelen 1217-1219 en artikel 1224 van het Burgerlijk Wetboek en vult ze aan. Er werd ook deels inspiratie geput uit artikel 1320, eerste lid, C.civ.fr. Het eerste lid definieert de actieve ondeelbaarheid en vult zo een lacune op. Deze omschrijving verwijst naar de invulling van de ondeelbare prestatie uit artikel 5 166, § 2. Het tweede lid herneemt het artikel 1219 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 5.171. Gevolgen tussen schuldeisers en schuldenaar

§ 1. Iedere schuldeiser kan de uitvoering van de prestatie in haar geheel vorderen van de schuldenaar, zodat de betaling aan hem de schuldenaar ook tegenover de andere schuldeisers bevrijdt, in de mate van de betaling. De schuldenaar kan aan een van de schuldeisers, naar eigen keuze, betalen zolang hij niet door een van hen vervolgd wordt.

§ 2. De schuldenaar die door een schuldeiser tot betaling wordt aangesproken, kan een beroep doen op de excepties die persoonlijk zijn aan de rechtsband met die schuldeiser. Hij kan ook een beroep doen op alle excepties die aan alle schuldenaars gemeen zijn, zoals de betaling en de schuldvergelijking.

§ 3. Een schuldeiser kan niet alleen beschikken over de schuldvordering; zo niet blijft de schuldenaar tegenover de medeschuldeisers de gehele prestatie verschuldigd, onder aftrek van het aandeel van de schuldeiser die alleen over de schuldvordering heeft beschikt.

§ 4. Daden tot behoud van de schuldvordering, door een schuldeiser alleen gesteld, strekken tot voordeel van allen. Dit is onder meer het geval voor de stuiting van de verjaring ten aanzien van een van de schuldeisers en van de ingebrekestelling gericht aan de schuldenaar.

(Toelichting in het wetsvoorstel – eigen selectie zonder verwijzingen)

Het eerste lid van paragraaf 1 formuleert de kenmerkende hoofdgevolgen van de actieve hoofdelijkheid en ondeelbaarheid: elke schuldeiser mag de betaling van de gehele schuld vorderen en de betaling hiervan door de schuldenaar aan die ene schuldeiser bevrijdt hem jegens de anderen. Men vindt deze gevolgen niet alleen terug in het oude artikel 1197 van het Burgerlijk Wetboek (voor de hoofdelijkheid) en in het oude artikel 1224 van het Burgerlijk Wetboek (voor de ondeelbaarheid), maar ook in artikel 1311, eerste lid en artikel 1320 van het Frans Burgerlijk Wetboek.

Ook de doctrine beaamt dit hoofdgevolg, zowel bij actieve hoofdelijkheid als bij actieve ondeelbaarheid.

Het tweede lid herneemt, met lichte aanpassing, het oude artikel 1198, eerste 1id, van het Burgerlijk Wetboek en maakt het voortaan van toepassing op zowel actieve hoofdelijkheid als actieve ondeelbaarheid. Zolang hij niet door een van de medeschuldeisers is vervolgd in betaling, mag de schuldenaar kiezen aan welke schuldeiser hij de gehele schuld vrijwillig wil voldoen.

Men vindt dezelfde regel in artikel 1311, tweede lid, C.civ.fr. Het begrip “vervolging” mag niet al te letterlijk worden opgevat (in de zin van een dagvaarding in rechte), maar het wijst op elke handeling waardoor een schuldeiser jegens de schuldenaar aanspraak maakt op integrale betaling.
Van zodra een van de schuldeisers vervolgingen instelt, mogen de andere schuldeisers niet meer de gehele betaling vorderen. De schuldenaar kan enkel betalen aan de schuldeiser die hem.

Paragraaf 2, verwoordt, aan actiefzijde, de regels van tegenwerpelijkheid door de schuldenaar aan de schuldeisers van de gemeenschappelijke excepties en de excepties die aanwezig zijn in de rechtsband die de schuldenaar heeft met de schuldeiser die hem aanspreekt in betaling.
De bevrijdende verjaring, de betaling, de schuldvergelijking of een wilsgebrek veroorzaakt in hoofde van de schuldenaar door alle schuldeisers (bv. bedrog of misbruik van omstandigheden) zijn voorbeelden van gemeenschappelijke excepties. Een voorbeeld van een exceptie persoonlijk aan de rechtsband die de schuldenaar heeft met de initiatiefnemende schuldeiser kan de toekenning zijn door deze laatste van een opschortende termijn. Men viseert hier evenwel niet situaties, zoals bv. de handelingsonbekwaamheid van de initiatiefnemende schuldeiser, aangezien niet de schuldenaar de beschermde partij is die deze mogelijke nietigheidsgrond mag inroepen. De bepaling verwoordt eveneens de regel dat de schuldvergelijking een gemeenschappelijke exceptie is, zoals voor de actieve hoofdelijkheid gesteld in de rechtspraak van het Hof van Cassatie.
Ook de doctrine is hierover eensgezind bij actieve hoofdelijkheid: de schuldvergelijking dooft de schuld uit en kan dus worden gelijkgesteld aan een betaling van de schuld.

Het voorstel maakt beide bepalingen ook van toepassing op de actieve ondeelbaarheid. De regel dat de schuldvergelijking geldt als een betaling zodat zij de gemeenschappelijke schuldvordering van alle schuldeisers uitdooft ten belope van de verrekening, kan in beginsel overeenkomstige toepassing vinden bij actieve ondeelbaarheid.

Paragraaf 3 verwoordt in meer algemene termen de regel uit het oude artikel 1198, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek dat inhoudt dat een hoofdelijke schuldeiser alleen niet kan beschikken over de schuldvordering; beschikkingsdaden moeten gezamenlijk worden verricht. Een schuldeiser alleen kan de schuldvordering enkel innen. Een schuldeiser mag immers niets doen dat de rechten van zijn medeschuldeisers in het gedrang zou brengen. Hoewel het oude artikel 1198, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek het enkel over de kwijtschelding heeft, is aanvaard dat dit voor andere rechtshandelingen geldt waarmee een schuldeiser alleen zou beschikken over de gemeenschappelijk schuldvordering. Zo mag hij zonder de toestemming van zijn medeschuldeisers aan de schuldenaar geen kwijtschelding geven, met hem geen schuldvernieuwing of dading aangaan, en geen inbetalinggeving aanvaarden. Ook bij actieve ondeelbaarheid mag één van de schuldeisers niet alleen beschikken over de ondeelbare schuldvordering. Het oude artikel 1224, tweede lid, derde zin van het Burgerlijk Wetboek verwoordt dit slechts voor de kwijtschelding gegeven door een erfgenaam. Volgens de doctrine moet ook deze bepaling veralgemeend worden: het is ook verboden aan een ondeelbare schuldeiser om, zonder de toestemming van de anderen, een inbetalinggeving of een schuldvernieuwing te aanvaarden of een dading te sluiten.
Overtreedt een schuldeiser het beschikkingsverbod, dan behouden de medeschuldeisers hun ondeelbare schuldvordering en blijft de schuldenaar de gehele schuld verschuldigd , doch na aftrek van (de waarde van) het aandeel van de schuldeiser die de verboden rechtshandeling stelde.
De bepaling van het voorstel haalt inspiratie uit het oude artikel 1224, tweede lid, derde zin, van het Burgerlijk Wetboek over actieve ondeelbaarheid. Men brengt vaak de bepaling van artikel 1224, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (en art. 1320 C.civ.fr.) inzake actieve ondeelbaarheid in verband met het verbod om te beschikken: een schuldeiser alleen kan niet de waarde ontvangen als betaling in de plaats van de ondeelbare prestatie zelf. Deze regel wordt niet hernomen want zij is een logische toepassing van de regels inzake de betaling van een verbintenis.

Paragraaf 4 regelt de bijkomende gevolgen van de actieve hoofdelijkheid en ondeelbaarheid. Iedere hoofdelijke schuldeiser kan daden tot behoud van de schuldvordering stellen en zij zullen ook tot voordeel van de anderen strekken. Zo is reeds aanvaard dat bv. de stuiting van de verjaring of de ingebrekestelling (en een eis tot betaling van moratoire interesten) door een van de schuldeisers, tot voordeel strekt van alle anderen en door allen kan worden ingeroepen. Het oude artikel 1199 van het Burgerlijk Wetboek bevat deze regel voor de stuiting van de verjaring. De gevallen opgenomen in de bepaling van paragraaf 4 zijn echter niet limitatief opgevat. Ook bij actieve ondeelbaarheid mag elke schuldeiser alleen daden tot behoud stellen. De doctrine aanvaardt dat bv. de stuiting van de verjaring en een ingebrekestelling daden zijn die tot voordeel strekken van alle schuldeisers.

Artikel 5.172. Gevolgen voor de schuldeisers onderling

De schuldeiser die de prestatie geheel of gedeeltelijk ontving, moet deze verdelen en aan de andere schuldeisers hun aandeel uitkeren. De verdeling geschiedt in gelijke delen, tenzij een wettelijke of contractuele bepaling of, bij gebrek daaraan, de concrete omstandigheden een andere verdeling rechtvaardigen. Is de ontvangen prestatie uit haar aard ondeelbaar, ontvangt elke schuldeiser de waarde van zijn aandeel in de schuldvordering.

(Toelichting in het wetsvoorstel – eigen selectie zonder verwijzingen)

Deze bepaling is nieuw en regelt op eenvormige wijze de gevolgen, op het vlak van de contributio, van de actieve hoofdelijkheid en ondeelbaarheid.
Het eerste lid houdt in dat de schuldeiser, die de gehele betaling (of meer dan zijn deel) van de schuld ontving, rekenschap moet afleggen aan de medeschuldeisers. Hij is gehouden tot verdeling van wat hij heeft ontvangen. Dit geldt zowel bij actieve hoofdelijkheid als bij actieve ondeelbaarheid.

Het tweede lid reikt de mogelijke verdeelsleutel aan, zoals dit reeds bij passieve hoofdelijkheid en ondeelbaarheid is verwoord. Bij actieve hoofdelijkheid en ondeelbaarheid bepalen de partijen vaak de verdeelsleutel in hun contract. Is dit niet gebeurd, kan men de verdeling van de aandelen soms afleiden uit de concrete omstandigheden, zoals uit de respectieve belangen van de schuldeiser in de zaak. Suppletief geldt de regel van de verdeling in gelijke delen.

Het derde lid betreft de situatie van actieve ondeelbaarheid waar de prestatie materieel ondeelbaar is: dan moeten de medeschuldeisers voor hun deel vergoed worden door de schuldeiser accipiens, die hen de waarde van hun aandeel in de schuldvordering zal uitkeren.

Artikel 5.173. Overlijden van een schuldeiser

Onder de erfgenamen van een hoofdelijke schuldeiser wordt de schuldvordering van rechtswege verdeeld.

Niettemin blijft artikel 5.171, § 4, van toepassing. Onder de erfgenamen van de schuldeiser van een ondeelbare prestatie geldt de ondeelbaarheid eveneens.

(Toelichting in het wetsvoorstel – eigen selectie zonder verwijzingen)

Op het punt van de vererving verschillen de actieve hoofdelijkheid en ondeelbaarheid.

Het eerste lid verankert de geldende regel dat de actieve hoofdelijkheid, net als de passieve, niet overerft.

De erfgenamen van de overleden hoofdelijke schuldeiser zullen de schuldvordering moeten verdelen en kunnen slechts een deel van de schuldvordering opeisen.

De overlevende schuldeisers blijven daarentegen genieten van de hoofdelijkheid tegenover de schuldenaar en kunnen nog integrale betaling eisen. De bijkomende gevolgen van de actieve hoofdelijkheid, zoals omschreven in artikel 5 171, § 4, blijven evenwel van toepassing, zoals dit ook aan passiefzijde is bepaald (art. 5 165, lid 2).

Het tweede lid verankert de regel dat de actieve (net als de passieve) ondeelbaarheid vererft, zoals dit in het huidige recht geldt: elke erfgenaam van een overleden schuldeiser kan de gehele schuldvordering innen.

Lees hier de volledige fiche van het wetsvoorstel

2021-03-19T10:24:13+00:00 19 maart 2021|Categories: Insolventierecht - Verbintenissen- en zakenrecht|