>>, Vennootschapsrecht>Afgeleide schade, zijdelingse vordering en minderheidsvordering na ontbinding: Cassatie spreekt zich (gedeeltelijk) uit (Corporate Finance Lab)

Afgeleide schade, zijdelingse vordering en minderheidsvordering na ontbinding: Cassatie spreekt zich (gedeeltelijk) uit (Corporate Finance Lab)

Auteur: Joeri Vananroye (Corporate Finance Lab)

Publicatiedatum: 04/01/2021

In een arrest van 11 december 2020 kwamen enkele principiële vragen in het vizier van het Hof van Cassatie:

1. Geldt de regel dat een aandeelhouder geen afgeleide schade kan vorderen ook na ontbinding van de vennootschap?

2. Kan een aandeelhouder net zoals een schuldeiser de zijdelingse vordering instellen indien de vennootschap (in casu in de persoon van de vereffenaar) weigert een vordering in te stellen?

3. Kan de minderheidsvordering worden ingesteld door een meerderheidsaandeelhouder?; en

4. Kan de minderheidsvordering nog worden ingesteld tijdens de vereffening van de vennootschap?

Op de eerste en de tweede vraag antwoordt het Hof, in lijn met daaromtrent de gevestigde opvattingen zijn: respectievelijk “ja: ook tijdens de vereffening kan een aandeelhouder geen afgeleide schade vorderen” en “nee: de aandeelhouder kan als dusdanig niet de zijdelingse vordering instellen. De praktijk en de doctrine zijn het meest verdeeld over de derde en vooral de vierde vraag. Helaas liet het cassatie-middel daar het Hof niet toe een antwoord te geven.

Het Hof bevestigt vooreerst met dit haar arrest haar klassieke leer inzake afgeleide schade: schade van een aandeelhouder die geen andere oorzaak heeft dan de aantasting van het vennootschapsvermogen kan niet door een aandeelhouder worden gevorderd (zie Beginselen van Organisatierecht, p. 21 e.v.). Het Hof verduidelijkt dat dit ook geldt tijdens de vereffening die volgt op de ontbinding van de vennootschap. Dat mag niet verrassen. De vorige arresten gingen over de faillissementsvereffening. Bovendien is de ratio van deze regeling te verhinderen dat een aandeelhouder met betrekking tot het vermogensbestanddeel dat een aansprakelijkheidvordering is “voorkruipt” op de schuldeisers (zie Beginselen van Organisatierecht, p. 67 e.v.). Deze overweging verdwijnt niet door de ontbinding; integendeel de vereffening maakt het het enkel scherper.

Ook de regel dat een aandeelhouder als aandeelhouder niet de zijdelingse vordering van art. 1166 BW kan instellen is een klassieke en, voorzover me bekend, onbetwiste opvatting (S. De Dier, Nietigheid van bestuursbesluiten in een vennootschap, Roularta, 2016, 69, nr. 67).

De aandeelhouder moet kiezen uit de wapenkamer van het vennootschapsrecht; over schuldeisersremedies zoals de dagvaarding in faillissement, het bewaren en uitvoerend beslag, de pauliaanse en dus ook de zijdelingse vordering beschikt hij niet. Laat niemand u dan ook ook zeggen dat de aandeelhouder een achtergesteld schuldeiser is; hij is achtergesteld maar is geen schuldeiser (zie voor een mooie vergelijking van aandeelhouder en schuldeiser: S. Landuyt, Efficiënte risicoverdeling in vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en de positie van de aandeelhouder, Intersentia, 2020, 46-50). Dat verandert niet door de ontbinding. Bij de sluiting van de vereffening zal de aandeelhouder wel schuldeiser worden voor de liquidatie-uitkering, maar dan is niet meer veel zijdelings te vorderen omdat ook vennootschap verdwijnt als rechtssubject.

De meest omstreden vraag is het lot van de minderheidsvordering na ontbinding. Daarbij kan nog een onderscheid gemaakt worden tussen de ontbindingsvordering die al was ingesteld vóór de ontbinding en de minderheidsvordering die tijdens de vereffening wordt ingesteld. De meningen hierover zijn verdeeld. Zie daarover J. Van Eetvelde, “Over aandeelhouders en afgeleide schade na sluiting van de vereffening”, TRV-RPS 2019 692-693).

Het Hof kreeg niet de kans dit twistpunt te beslechten. Overigens: dit is reeds sinds de invoering van de minderheidsvordering in de jaren negentig een twistpunt, al bij de eerste commentaren, en het is vooral jammer dat de wetgever naar aanleiding van de invoering van het WVV geen duidelijkheid heeft gesteld.

Het bestreden arrest van het Hof van Beroep te Gent stelde, in lijn met eerder rechtspraak van andere Hoven van Beroep, dat de minderheidsvordering na de ontbinding niet meer kan worden ingesteld. Daarnaast wees het Hof de vordering van een van de eisers ook of omdat hij een meerderheidsaandeelhouder was en dus geen minderheidsvordering kon ontstellen. Hoe dan ook, het middel focuste op dat tweede argument en miskarakteriseerde het volgens het Hof van Cassatie. Daarom had het Hof, helaas, niet de kans uitspraak te doen over deze vraag.

Vergelijken we even met twee andere situaties.

De eerste vraag is of tijdens het faillissement een minderheidsaandeelhouder nog de minderheidsvordering kan instellen. Naar heersende mening kan de minderheidsvordering na faillissement niet meer worden ingesteld (zie de verwijzingen bij F. Helsen, “Het actief van het faillissement: de aansprakelijkheid tegen bestuurders/zaakvoerders na discontinuïteit”, in Faillissement & Reorganisatie, Mechelen, Kluwer, losbl. 2017, II.G.20-13). Die oplossing ligt voor de hand: de curator heeft een verregaande autonomie bij het beheer van de boedel. Aandeelhouders hebben bij een faillissement in de regel niets meer te verwachten. Hun belang weegt dan ook niet zwaar genoeg om afbreuk te doen aan de beheersautonomie van de curator, die bv. kan oordelen dat het alea van een aansprakelijkheidsvordering niet opweegt tegen de voordelen van een snelle sluiting.

Bij de vereffening geldt die overweging ook, maar wegen de belangen van de minderheidsaandeelhouder zwaarder. Bovendien biedt een vereffenaar niet dezelfde waarborgen omtrent neutraliteit en deontologie als een curator. In de regel zal de vereffenaar ook de emanatie van de meerderheidsaandeelhouders. En het is net het wantrouwen daartegen dat het bestaan van de minderheidsvordering verklaart.

De oplossing bij faillissement kan dan ook niet zomaar worden doorgetrokken naar de vereffening na ontbinding.

Dat brengt ons bij het tweede vergelijkingspunt: het lot van de zijdelingse vordering van – uiteraard – een schuldeiser tijdens de vereffening. Bij de faillissementsvereffening lijdt het geen twijfel dat de zijdelingse vordering niet meer kan worden ingesteld. Enkel de curator kan namens de boedel vorderen. Bij de vereffening na ontbinding behoudt de schuldeisers echter de zijdelingse vorderingsmogelijkheid (zie G. Lindemans, “Keizer, blauwhelm, protegé : de curator, de vereffenaar en de schuldenaar-in-reorganisatie in hun verhouding tot de schuldeisers”, TRV-RPS 2016, 39-61). De zeer beperkte garanties omtrent de neutraliteit van de vereffenaar zijn hierbij een belangrijke overweging.

Moeilijke belangenafwegingen tussen de collectiviteit en de individuele rechten, tussen efficiëntie en bescherming tegen misbruik. Dat het Hof van Cassatie moest zwijgen, zou een uitnodiging moeten zijn voor de wetgever om te spreken. Intussen hebben we op twee andere principiële vragen toch maar een helder en bevredigend antwoord.

Lees hier het originele artikel