Drafting agreements in English: mastering the consequences

Webinar op 11 mei 2023

Een ernstig arbeidsongeval –
De verplichtingen van de werkgever en de houding van de inspectie

Webinar op 9 december 2022

De Kwaliteitswet: wat wijzigt er vanaf 1 juli 2022?

Webinar on demand

Het nieuwe verbintenissenrecht

Webinar on demand

Aansprakelijkheid van medische beroepsbeoefenaars en zorginstellingen

Webinar on demand

Aansprakelijkheden als werkgever: een praktijkgerichte update

Webinar on demand

De geïnformeerde toestemming: een dynamiek tussen zorgverlener en patiënt. Noot bij Cassatie 31 maart 2022 (Monard Law)

Auteur: Monard Law

Artikel 8 van de Wet Patiëntenrechten geeft elke patiënt het recht om al dan niet in te stemmen met een behandeling door een zorgverstrekker. Om de patiënt te helpen bij zijn keuze moet de zorgverstrekker hem onder meer inlichten over de relevante risico’s (waarbij rekening wordt gehouden met de frequentie en de ernst van het risico van een bepaalde behandeling en de persoon van de patiënt) en de mogelijke (redelijke) behandelingsalternatieven.

Een behandeling kan met andere woorden maar gestart worden nadat de patiënt hiervoor een geïnformeerde toestemming heeft gegeven. Op die manier wordt de fysieke integriteit van de patiënt beschermd. Indien de patiënt de behandeling weigert moet dit vanzelfsprekend ook gerespecteerd worden.

“De patiënt heeft het recht om geïnformeerd, voorafgaandelijk en vrij toe te stemmen in iedere tussenkomst van de beroepsbeoefenaar.

Deze toestemming wordt uitdrukkelijk gegeven behalve wanneer de beroepsbeoefenaar, na de patiënt voldoende te hebben geïnformeerd, uit de gedragingen van de patiënt redelijkerwijze diens toestemming kan afleiden.”

Ondanks deze wettelijke regeling is de geïnformeerde toestemming al geruime tijd  een bron van controverse en debat. Telkens rijst de vraag wie het bewijs moet leveren van de schending van het recht op geïnformeerde toestemming. Moet de zorgverstrekker bewijzen dat hij de patiënt (voldoende) geïnformeerd heeft of is het aan de patiënt om te bewijzen dat hij niet of te weinig geïnformeerd werd?

In een zeer recent arrest van 31 maart 2022 heeft het Hof van Cassatie zich (opnieuw) uitgesproken over de bewijslastverdeling bij geschillen over de geïnformeerde toestemming van patiënten. Dat het Hof van Cassatie zich andermaal heeft uitgesproken over deze discussie, kan enkel en alleen maar toegejuicht worden in kader van het streven naar rechtszekerheid voor ieder van ons. Maar is het oordeel van het hoogste rechtscollege van België ook gunstig in de praktijk?  In wat volgt, zullen wij alvast een antwoord geven op deze vraag.

Het oordeel van het Hof van Cassatie

In haar arrest van 31 maart 2022 heeft het Hof van Cassatie beslist dat de bewijslast in geschillen over de geïnformeerde toestemming op de patiënt rust. Concreet betekent dit dat de patiënt moet bewijzen dat de zorgverlener hem de informatie daadwerkelijk had moeten geven én dat de zorgverlener nagelaten heeft dit te doen.

Met deze uitspraak bevestigt het Hof van Cassatie haar princiepsarrest van 16 december 2004 en onder meer haar arresten van 11 januari 2019 en 18 juni 2020. Er mag dus verwacht worden dat hierover in de toekomst eensgezindheid zal bestaan in de rechtspraak.

Het Hof van Cassatie herhaalt aldus de algemene regel die stelt dat wie vergoeding van zijn geleden schade vraagt, het bestaan van de fout, de schade en het causaal verband hiertussen moet kunnen bewijzen. Aangezien onmogelijk ontkend kan worden dat de bewijslast die op de patiënt rust zwaar is, heeft het Hof reeds in 2004 te kennen gegeven dat de feitenrechter wel mag oordelen dat een negatief feit niet met dezelfde striktheid als het bewijs van een bevestigend feit moet worden geleverd. Dit oordeel geldt vandaag nog steeds.

De gevolgen in de praktijk

 Wat wordt dan precies verwacht van de patiënt? Aangezien de bewijslast op de patiënt rust moet de patiënt in eerste instantie kunnen aantonen dat de zorgverlener een ingreep of behandeling heeft uitgevoerd zonder de patiënt hierover voorafgaandelijk voldoende geïnformeerd te hebben en/of zijn geïnformeerde en vrije toestemming te hebben verkregen (de zogenaamde fout). Daarnaast moet de patiënt bewijzen dat hij/zij daadwerkelijk schade heeft geleden door het feit dat de zorgverlener zijn recht op geïnformeerde toestemming heeft geschonden. Tot slot moet de patiënt ook kunnen aantonen dat hij niet met de tussenkomst van de zorgverlener zou hebben ingestemd indien hij vooraf kennis had gekregen van bepaalde informatie en risico’s. In de praktijk kunnen hiervoor twee verschillende tests gehanteerd worden:

  • de objectieve test: zou een redelijk persoon, die correct geïnformeerd werd, al dan niet voor de desbetreffende behandeling gekozen hebben?
  • de subjectieve test: zou de patiënt met de ingreep hebben toegestemd, indien hij correct geïnformeerd was geweest?

Enkel wanneer de patiënt erin slaagt om de fout, de schade en het oorzakelijk verband aan te tonen, zal de zorgverlener aansprakelijk gesteld worden voor de schade die de patiënt heeft geleden en zal hij bijgevolg gehouden worden deze schade ook daadwerkelijk te vergoeden.

Ondanks het feit dat deze regel de patiënten met een zware taak opzadelt, kan dit arrest de  relatie tussen zorgverlener en patiënt verbeteren. Zo werd in het verleden in de praktijk bijvoorbeeld vastgesteld dat sommige zorgverleners de gewoonte hadden om de in hun ogen noodzakelijke informatie te documenteren. Tijdens het consult kon de zorgverlener dan verwijzen naar de documentatie die aan de patiënt meegedeeld werd en liet hij de patiënt een veelal onpersoonlijk toestemmingsformulier ondertekenen zonder hierover een grondig gesprek met de patiënt te voeren.

Door de bewijslast niet bij de zorgverlener te leggen, wordt vermeden dat zorgverleners een te groot belang hechten aan het gebruik van onpersoonlijke toestemmingformulieren die het gesprek tussen de zorgverlener en de patiënt zouden vervangen[1].

Uiteraard, erkennen wij dat een schriftelijk toestemming van de patiënt zowel voor de patiënt als voor de zorgverlener ook bepaalde voordelen kan bieden (en in sommige gevallen zelfs wettelijk verplicht is). Zo kan de patiënt het formulier na zijn doktersbezoek rustig nalezen en de verschillende behandelingsopties nogmaals afwegen. Daarnaast kan het document voor de zorgverlener een leidraad vormen voor zijn gesprek met de patiënt.

Toch doet elke zorgverlener er goed aan om, voor de behandeling of een ingreep, een kwalitatief gesprek met de patiënt te voeren. Het beoogde doel van de geïnformeerde toestemming is namelijk om iedere patiënt de informatie ter beschikking te stellen die hij of zij nodig heeft om een beslissing te nemen. Niet elke patiënt mag dus over dezelfde kam geschoren worden.

Met het Cassatiearrest van 31 maart 2022 lijkt discussie over de bewijslast bij geïnformeerde toestemming definitief van de baan te zijn. De bewijslast ligt bij de patiënt, maar het is de taak van de zorgverlener om zijn patiënten op een correcte manier te informeren over de behandeling of ingreep die hen te wachten staat.

[1] T. Vansweevelt en F. Dewallens (eds.), Handboek Gezondheidsrecht Volume II: Rechten van patiënten: van embryo tot lijk, 414-415.

Bron: Monard Law