Mededingingsrecht:
recente ontwikkelingen
Mr. Melissa Van Schoorisse (Covington)
Webinar op vrijdag 25 september 2026
Boek 7 BW en de impact
voor IT-contracten
Mr. Stefan Van Camp (Timelex)
Webinar op vrijdag 2 oktober 2026
Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?
Overweeg dan zeker onze voordeelformules!
Krijg toegang tot +250 opleidingen
Live & on demand webinars
Met tussenkomst van de kmo-portefeuille
Generatieve AI
in de juridische praktijk
Dr. Wim De Mulder (KU Leuven)
Webinar op donderdag 25 februari 2027
Mag u een historische plaatsnaam gebruiken die ook een bekend merk is? (Everest)
Auteur: Joris Deene (Everest)
Niet zonder meer. Het hof van beroep te Brussel besliste op 4 mei 2026 dat een camping in Zillebeke zich niet langer “‘t hof Bellewaerde” mag noemen, omdat die naam samenvalt met het merk en de handelsnaam van het naburige pretpark Bellewaerde. Dat de camping ligt op de plaats van een historische hoeve en van een slagveld uit de Eerste Wereldoorlog met vrijwel dezelfde naam, hielp de uitbaters niet. Beslissend was niet de geschiedenis van de plek, maar of het publiek die naam vandaag als plaatsaanduiding kent.
De feiten
Belpark NV baat sinds 1954 het pret-, water-, natuur- en dierenpark Bellewaerde uit in Ieper, met jaarlijks 850.000 tot 900.000 bezoekers. Zij is houder van het Uniewoordmerk BELLEWAERDE, gedeponeerd op 5 november 2013 en ingeschreven op 28 april 2014 onder nummer 012282315, onder meer voor recreatie, pretparken en dierentuinen in klasse 41 en voor het verstrekken van voedsel en dranken en de exploitatie van kampeerterreinen in klasse 43. Zelf biedt zij geen overnachtingen aan.
‘t Hof Bellewaerde BV werd opgericht in juni 2020 en opende in april 2021 een camping van 3,3 hectare, op wandelafstand van het park. Het domein ligt rond een wederopbouwhoeve op een beschermde archeologische site, in de inventaris onroerend erfgoed gekend als het Eerste Wereldoorlog-slagveld van Bellewaarde Ridge, telkens met dubbele a gespeld.
Belpark stelde de camping in gebreke, die het gebruik verdedigde met de historische en geografische herkomst van de naam. Na mislukte correspondentie dagvaardde Belpark in juli 2021 voor de voorzitter van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank te Brussel, zetelend zoals in kort geding. Die wees in april 2022 de vorderingen van Belpark af en verklaarde alleen de tegenvordering van de camping gegrond: het merk werd vervallen verklaard voor de exploitatie van kampeerterreinen. Belpark stelde hoger beroep in.
De beslissing
De tegenvorderingen tot nietig- en vervallenverklaring van het merk
Het hof behandelde eerst de aanval op het merk. De camping vroeg de nietigverklaring op grond van art. 7, lid 1, c) Uniemerkenverordening (UMVo), gelezen met art. 59, lid 1, a) UMVo: het teken zou uitsluitend de plaats van herkomst aanduiden.
Het hof herinnerde aan de maatstaf uit het arrest Windsurfing Chiemsee: beslissend is of de betrokken kringen de benaming als plaatsaanduiding kennen, en of zij die plaats met de betrokken waren of diensten in verband brengen, dan wel of zo’n verband redelijkerwijs te verwachten is (HvJ 4 mei 1999, C-108/97 en C-109/97). Volgens het hof van beroep leverde de camping dat bewijs niet. Zowel het park als de camping liggen op het grondgebied van Zillebeke; Bellewaerde is geen actuele plaatsnaam, en de vermelding in een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan verwijst naar het recreatiepark, niet naar een gebied. Dat er in de middeleeuwen een heerlijkheid met een verwante naam bestond en dat het slagveld Bellewaarde Ridge heet, maakt volgens het hof niet aannemelijk dat de gemiddelde consument in de Benelux of in de Unie die naam als plaats kent. En zelfs als dat zo zou zijn, zou dat publiek volgens het hof niet aannemen dat de betrokken diensten daar hun oorsprong vinden. De nietigheidsvordering werd afgewezen, zodat het hof het ondergeschikte middel over inburgering niet moest onderzoeken.
De vervallenverklaring hield wel stand. Op grond van art. 58, lid 1, a) UMVo vervallen de rechten van de houder voor waren of diensten waarvoor het merk vijf jaar niet normaal is gebruikt. Belpark betwistte ook niet dat zij het merk niet voor kampeerterreinen gebruikte en legde geen geldige reden voor dit niet-gebruik voor. Het hof oordeelde ook dat de stakingsrechter over een vervallenverklaring mocht beslissen: art. 124, d) UMVo laat de reconventionele vordering toe, en art. XVII.17 van het Wetboek van economisch recht (WER) geeft de voorzitter de bevoegdheid om de nietigheid of het verval van een ingeroepen recht uit te spreken. Volgens het hof is daarvoor niet vereist dat de merkhouder de betrokken dienst uitdrukkelijk had ingeroepen.
De inbreuk op het merkenrecht en de handelsnaam
Voor de inbreuk paste het hof art. 9, lid 2, b) UMVo toe. Het stelde vast dat de camping het teken in het economisch verkeer als merk gebruikt, op haar website, in reclame, als handelsnaam en als vennootschapsnaam, wat art. 9, lid 3 UMVo uitdrukkelijk als verbodbare handelingen noemt. De diensten zijn deels identiek, want de campingwinkel biedt broodjes, drank en ijs aan, en deels overeenstemmend, want de exploitatie van een camping is volgens het hof complementair aan recreatie, pretparken en dierentuinen (vergelijk arrest Canon, HvJ 29 september 1998, C-39/97). Het merk heeft volgens het hof een sterke onderscheidingskracht door intensief gebruik, en de tekens stemmen visueel en auditief in hoge mate overeen, waarbij het bestanddeel “‘t hof” weinig onderscheidend is voor camping en horeca. In een globale beoordeling (vergelijk arrest Sabel, HvJ 11 november 1997, C-251/95, en arrest Lloyd Schuhfabrik Meyer, HvJ 22 juni 1999, C-342/97) besloot het hof tot verwarringsgevaar.
De verweermiddelen sneuvelden. Het oudere recht van plaatselijke betekenis van art. 138, lid 3 UMVo veronderstelt een recht dat aan het merk voorafgaat; de camping gebruikt de naam pas sinds 2021, en het eventuele oudere handelsnaamrecht van de verwoeste hoeve was volgens het hof verloren gegaan door decennia zonder zichtbaar en publiek gebruik. De beperking van art. 14, lid 1, b) UMVo faalde omdat niet bewezen is dat het gaat om een aanduiding van de plaats van herkomst, en art. 14, lid 1, a) UMVo geldt naar de letter enkel voor de naam of het adres van een natuurlijke persoon, niet van een vennootschap. Bovendien was volgens het hof niet voldaan aan de voorwaarde van eerlijk gebruik uit art. 14, lid 2 UMVo, gelet op de nabijheid van het park en de bekendheid van het merk (vergelijk arrest Anheuser-Busch, HvJ 16 november 2004, C-245/02).
Op dezelfde grondslag stelde het hof een inbreuk vast op de handelsnamen Bellewaerde en Bellewaerde Park. De handelsnaam wordt volgens art. 8 Verdrag van Parijs beschermd zonder depot of inschrijving, door eerste publiek gebruik, en wordt in België gehandhaafd via art. VI.104 WER. Die dubbele inbreuk levert volgens het hof op zich een met de eerlijke marktpraktijken strijdige daad op, zodat het de bijkomende vraag over misleidende marktpraktijken bij gebrek aan belang niet meer onderzocht.
Het hof verbood het gebruik van de tekens als handelsnaam, vennootschapsnaam, merk of domeinnaam voor een camping of voor het serveren van eten en drank, op straffe van een dwangsom van 1.000 euro per maand met een maximum van 50.000 euro, en pas na een aanpassingstermijn van drie maanden. Het akteerde dat Belpark zich niet verzet tegen informatieve vermeldingen over de historiek van de site, noch tegen het naamplaatje op de gevel van de hoeve.
Juridische analyse en duiding
Het verval van het merk redde de camping niet
Dit is de scherpste les uit het arrest. De camping kreeg precies wat zij vroeg: het merk werd vervallen verklaard voor de exploitatie van kampeerterreinen, en dat is exact haar activiteit. Toch verloor zij de zaak. De verklaring zit in de structuur van art. 9, lid 2, b) UMVo: verwarringsgevaar vereist geen identieke diensten, alleen overeenstemmende. Zodra de rechter aanvaardt dat kamperen complementair is aan een pretpark, hoeft het merk niet meer voor campings te zijn ingeschreven. Sinds het Canon arrest kan een geringe soortgelijkheid bovendien worden gecompenseerd door een hoge overeenstemming van de tekens en een sterk merk, en beide waren hier volgens het hof aanwezig.
Wie een vervalvordering inzet als hoofdverweer, moet dus eerst nagaan wat er in de overblijvende klassen staat. Slaagt de vordering, maar blijft een aanpalende dienst ingeschreven, dan is de winst symbolisch. Omgekeerd toont het arrest dat de merkhouder een reëel risico neemt door een brede klasse in te roepen: het hof aanvaardde uitdrukkelijk dat een dienst waarvan de vervallenverklaring wordt gevorderd niet uitdrukkelijk moet zijn ingeroepen. Wie zijn inschrijving voor klasse 43 tegen een verweerder gebruikt, stelt daarmee ook de niet-gebruikte onderdelen van die klasse bloot.
Een plaatsnaam is pas beschrijvend wanneer het publiek de plaats kent
De camping legde een historisch dossier voor: kaarten uit 1873, een middeleeuwse heerlijkheid, Britse stafkaarten, een beschermde site. Juridisch was dat het verkeerde bewijs. Art. 7, lid 1, c) UMVo vraagt niet of een plaats bestaat of bestond, maar of het relevante publiek de naam als plaatsaanduiding herkent en de betrokken diensten daarmee verbindt.
Het contrast met de recente rechtspraak is leerrijk. In het arrest T-105/23 werd het woordmerk ICELAND beschrijvend geacht, precies omdat een aanzienlijk deel van het publiek dat woord kent als de naam van een land met eigen kenmerken (Ger.EU 16 juli 2025, T-105/23, ‘Iceland Foods’). Omgekeerd bleef Neuschwanstein overeind als merk voor souvenirs, hoewel het kasteel wereldbekend is, omdat het publiek de naam niet opvat als aanduiding van de plaats waar de waren worden gemaakt (HvJ 6 september 2018, C-488/16 P). Het arrest van het hof van beroep te Brussel ligt in die tweede lijn, en gaat zelfs een stap verder: de naam is volgens het hof niet eens als plaats gekend. Ook een detail speelde mee dat gemakkelijk wordt onderschat: de site heet consequent Bellewaarde, met dubbele a, en het merk Bellewaerde. Eén klinker verschil ondermijnde de kern van het verweer.
Daarnaast bevestigt het arrest dat de beperking van art. 14, lid 1, b) UMVo weliswaar een fair-use-regeling is, maar geen vrijgeleide. Ook het Gerecht wees er in de zaak over ICELAND op dat die bepaling derden niet het recht geeft de benaming als merk te gebruiken, maar enkel als beschrijvende aanduiding. De camping gebruikte de naam als handelsnaam, vennootschapsnaam en uithangbord, en dus niet louter informatief. Dat blijft wel een gevoelige grens: in het arrest Gerolsteiner Brunnen aanvaardde het Hof van Justitie dat een herkomstaanduiding rechtmatig kan zijn ondanks auditieve overeenstemming met een ouder merk, mits eerlijk gebruik (HvJ 7 januari 2004, C-100/02). Omdat het hof van beroep hier al oordeelde dat er geen herkomstaanduiding is, kwam die afweging niet aan bod.
Na de brexit telt het Britse publiek niet meer mee
Een onopvallende passage met grote gevolgen. Het hele geografische verweer leunde op herdenkingstoeristen uit het Verenigd Koninkrijk, voor wie Bellewaarde Ridge wel een betekenis heeft. Het hof van beroep stelde vast dat de tegenvordering tot nietigverklaring werd ingesteld op 27 augustus 2021, dus na het verstrijken van de overgangsperiode, zodat het Unierecht op dat ogenblik niet meer op het Verenigd Koninkrijk van toepassing was. Het verwees daarvoor naar art. 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en naar het arrest C-337/22 P (HvJ 5 februari 2026, C-337/22 P, ‘EUIPO/Nowhere Co.’).
Die verwijzing verdient nuance. Dat arrest ging niet over de samenstelling van het relevante publiek, maar over de vraag of een ouder in het Verenigd Koninkrijk beschermd recht een oppositie nog kan dragen; het Hof besliste dat het oudere recht moet blijven bestaan tot het EUIPO uitspraak doet. Het hof van beroep gebruikt daaruit de onderliggende gedachte, namelijk dat het beoordelingsmoment doorschuift en dat het Verenigd Koninkrijk daarna wegvalt. Die overstap is verdedigbaar, maar zij is een analogie en geen rechtstreekse toepassing. Praktisch is de uitkomst hoe dan ook stevig: een verweer dat rust op de perceptie van een Brits publiek, verliest sinds de brexit zijn draagvlak in Uniemerkprocedures. Wie zich toch op die kennis wil beroepen, zal een parallel Brits recht moeten inroepen, met alle territoriale beperkingen die daarbij horen.
Wat betekent dit concreet?
Voor houders van een bekend merk. Een sterk merk werkt in twee richtingen. Het verruimt de beschermingsomvang, waardoor ook complementaire diensten binnen bereik komen, maar het scherpt ook de toets van het eerlijk gebruik aan: hoe bekender het merk, hoe minder ruimte een derde heeft om een gelijkende naam te verantwoorden. Ga daarnaast na waarvoor u het merk werkelijk gebruikt en leg dat gebruik per klasse vast, want elke inschrijving die u in een procedure inroept, kan het voorwerp worden van een tegenvordering tot verval. Meer over de bescherming van tekens leest u op onze pagina over het merkenrecht.
Voor ondernemers die een historische of geografische naam willen gebruiken. Doe eerst een beschikbaarheidsonderzoek in de registers en op de markt, en niet in het archief. De historische juistheid van een naam is juridisch bijna irrelevant; wat telt, is de perceptie van het publiek en het bestaan van oudere rechten. Wees ook bedacht op het onderscheid tussen informatief en onderscheidend gebruik. Vertellen dat uw zaak op een historische site ligt, blijft toegelaten, zoals het hof hier uitdrukkelijk akteerde. Die site als naam van uw onderneming voeren, is iets anders. Denk dat door vóór de oprichting, want een verbod raakt in één beweging uw handelsnaam, uw vennootschapsnaam, uw domeinnaam en uw hele communicatie. Wie voor die keuze staat, doet er goed aan zich vooraf te laten bijstaan door een advocaat merkenrecht.
Voor wie een stakingsvordering voert of ondergaat. De voorzitter kan meer dan de staking bevelen. Hij kan op tegenvordering de nietigheid of het verval van het ingeroepen recht uitspreken (art. XVII.17 WER) en de schrapping in het merkenregister bevelen, en hij kan een aanpassingstermijn toestaan (art. XVII.3 WER). Vraag die termijn ook uitdrukkelijk: hier kreeg de camping drie maanden, wat het verschil maakt tussen een geordende naamswijziging en een acute stillegging. Let ten slotte op de kostenverdeling. Omdat elke partij op onderscheiden punten in het ongelijk werd gesteld, sloeg het hof de kosten om en werd de rechtsplegingsvergoeding beperkt tot het basisbedrag, mede gelet op de beperkte draagkracht van de verweerder. Wie in dit soort geschillen op een verhoogde vergoeding rekent, moet die verwachting matigen. Dat de inbreuk ook een schending van de eerlijke marktpraktijken oplevert, voegt overigens weinig toe zodra de staking al is bevolen.
Veelgestelde vragen (FAQ)
Mag ik de naam van een historische plaats gebruiken voor mijn zaak als daar een merk op bestaat?
Alleen wanneer u die naam louter beschrijvend gebruikt, bijvoorbeeld om de ligging of de geschiedenis van uw locatie uit te leggen, en wanneer dat gebruik eerlijk is. Zodra u de naam voert om uw onderneming of diensten van andere te onderscheiden, gebruikt u haar als merk en kan de merkhouder zich verzetten. Dat de plaats echt bestaat of bestond, is daarbij niet beslissend.
Kan een merkhouder optreden tegen een activiteit waarvoor hij zijn merk niet gebruikt?
Vaak wel. Het merk kan voor die precieze dienst vervallen worden verklaard, maar de merkhouder kan zich blijven beroepen op de overige diensten waarvoor hij het merk wel gebruikt. Zijn die overeenstemmend of complementair, dan blijft verwarringsgevaar mogelijk en kan de staking alsnog worden bevolen.
Beschermt de inschrijving van mijn vennootschapsnaam in de Kruispuntbank mij tegen een merkinbreuk?
Neen. Een inschrijving van een vennootschapsnaam of het gebruik van een domeinnaam geeft geen recht om een teken te gebruiken dat inbreuk maakt op een ouder merk of een oudere handelsnaam. De uitzondering voor het gebruik van de eigen naam geldt volgens de tekst van de Uniemerkenverordening alleen voor natuurlijke personen.
Conclusie
Het arrest van 4 mei 2026 laat zien hoe beperkt de ruimte is in België om een naam met een historische of geografische achtergrond commercieel te gebruiken wanneer diezelfde naam al als bekend merk en handelsnaam wordt gevoerd. Het bewijs dat een plaats zo heette of heet, volstaat niet: wat telt, is of het publiek de naam als plaats kent, en of het gebruik informatief blijft dan wel onderscheidend wordt. Wie voor de keuze van een naam staat of met zo’n conflict wordt geconfronteerd, wint bij een vroege analyse van de registers, de klassen en het feitelijk gebruik.
Bron: Everest
» Bekijk alle artikels: IT & IP











