Zekerheden anno 2026:
een update aan de hand van wetgeving en rechtspraak

Mr. Ivan Peeters (NautaDutilh)
Mr. Philip Van Steenwinkel (Hogan Lovells)

Webinar op donderdag 19 november 2026


Vennootschapsrecht anno 2026:
recente wetgeving en rechtspraak

Mr. Joris De Vos en mr. Laurens Engelen (Dentons)

Webinar op vrijdag 23 oktober 2026


Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?

Overweeg dan zeker onze voordeelformules!

 

Krijg toegang tot +250 opleidingen

Live & on demand webinars

Met tussenkomst van de kmo-portefeuille


Generatieve AI
in de juridische praktijk

Dr. Wim De Mulder (KU Leuven)

Webinar op donderdag 25 februari 2027


Faillissementsrecht anno 2026:
recente wetgeving en rechtspraak

Mr. Ilse Van de Mierop en mr. Charlotte Sas

(DLA Piper)

Webinar op donderdag 26 november 2026

Uitvoerend beslag onder derden. Schuldenaar moet duidelijk worden ingelicht over de termijnen om rechten te doen gelden. Grondwettelijk Hof 19 maart 2026 (Recht op zaterdag)

Auteur: Marc Vandecasteele (Recht op zaterdag)

De feiten

Op 13 september 2024 wordt een uitvoerend beslag onder derden uitgevoerd tegen Ewald Kohnenmergen, de beslagen schuldenaar, in handen van Harald Schneider. Het beslag wordt diezelfde dag aan Ewald Kohnenmergen aangezegd. Op 7 januari 2025 laat Ewald Kohnenmergen zijn verzet betekenen aan de beslagleggende schuldeisers en dagvaardt hij hen om voor de beslagrechter te verschijnen. Voor die laatste betwist Ewald Kohnenmergen het bedrag van de schuldvordering en doet hij gelden dat zijn huurinkomsten niet vatbaar zijn voor beslag, krachtens de artikelen 1409 en 1409bis van het Gerechtelijk Wetboek.

De verwerende partijen doen op hun beurt gelden dat het verzet van Ewald Kohnenmergen onontvankelijk is.

De beslagrechter van de Rechtbank van eerste aanleg te Eupen, het verwijzende rechtscollege, merkt op dat krachtens artikel 1409bis van het Gerechtelijk Wetboek, indien de beslagen schuldenaar van mening is dat huurinkomsten niet vatbaar zijn voor beslag of dat slechts gedeeltelijk zijn, hij de gerechtsdeurwaarder daarvan op de hoogte moet brengen overeenkomstig artikel 1408, § 3, van hetzelfde Wetboek.

Die mededeling moet, op straffe van verval, plaatsvinden hetzij op het tijdstip van het beslag, hetzij binnen vijftien dagen na de betekening van de eerste akte van beslag, dat wil zeggen, wat een uitvoerend beslag onder derden betreft, te rekenen vanaf de kennisgeving van het beslag aan de beslagen schuldenaar.

Het verwijzende rechtscollege stelt vast dat Ewald Kohnenmergen geen opmerkingen aan de gerechtsdeurwaarder heeft meegedeeld binnen de voormelde wettelijke termijn, zodat hij zou moeten worden vervallen verklaard van het recht om de onbeslagbaarheid van de betrokken inkomsten te laten gelden. Ewald Kohnenmergen doet evenwel gelden dat in de akte van uitvoerend beslag onder derden en in de kennisgeving van die akte geen melding werd gemaakt van de artikelen 1408, § 3, en 1409bis van het Gerechtelijk Wetboek, noch van de ter zake voorgeschreven termijn.

Het verwijzende rechtscollege merkt op dat het Hof, bij zijn arrest nr. 151/2015 van 29 oktober 2015 (ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.151), heeft geoordeeld dat het ontbreken van de vermelding, in het deurwaardersexploot waarin een bewarend beslag onder derden wordt aangezegd, van de informatie volgens welke de beslagen schuldenaar, wanneer hij niet beschikt over de inkomsten bedoeld in artikel 1409 van het Gerechtelijk Wetboek, zijn aanspraken op straffe van verval binnen een termijn van vijf dagen aan de gerechtsdeurwaarder kenbaar moet maken, artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schendt. Het Hof heeft geoordeeld dat de ongrondwettigheid haar oorsprong niet vindt in artikel 1408, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, maar in het ontbreken, in het vijfde deel van hetzelfde Wetboek, titel II, hoofdstuk IV, betreffende het bewarend beslag onder derden, van een bepaling die gelijkwaardig is aan artikel 1502 van hetzelfde Wetboek, en het heeft gepreciseerd dat het aan de rechter staat de aldus vastgestelde ongrondwettigheid te verhelpen.

Aangezien dat arrest geen uitvoerend beslag onder derden betrof, zoals te dezen het geval is, stelt het verwijzende rechtscollege, op verzoek van Ewald Kohnenmergen, de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag.

Het oordeel van het Grondwettelijk Hof

Het ontbreken, in het vijfde deel van het Gerechtelijk Wetboek, titel III, hoofdstuk IV, betreffende het uitvoerend beslag onder derden, van een bepaling die gelijkwaardig is aan artikel 1502 van hetzelfde Wetboek, schendt artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Lees hier het arrest

» Bekijk alle artikels: Insolventie & Faillissement

Boeken in de kijker: