Antiwitwasverplichtingen
voor de advocaat

Mr. Stijn De Meulenaer (Everest Advocaten)

Webinar op vrijdag 12 juni 2026


Faillissementsrecht anno 2026:
recente wetgeving en rechtspraak

Mr. Ilse Van de Mierop en mr. Charlotte Sas (DLA Piper)

Webinar op donderdag 26 november 2026


Zekerheden anno 2026:
een update aan de hand van wetgeving en rechtspraak

Mr. Ivan Peeters (NautaDutilh)
Mr. Philip Van Steenwinkel (Hogan Lovells)

Webinar op donderdag 19 november 2026


Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?

Overweeg dan zeker ons jaarabonnement 

 

Krijg toegang tot +250 opleidingen

Live & on demand webinars

Met tussenkomst van de kmo-portefeuille


Vennootschapsrecht anno 2026:
recente wetgeving en rechtspraak

Mr. Joris De Vos en mr. Laurens Engelen (Dentons)

Webinar op vrijdag 23 oktober 2026

Ne bis in idem blokkeert bestuursverbod in faillissementsdossier: de beveiligingsmaatregel met een strafrechtelijk karakter (Waeterinckx Van Herpe Advocaten)

Auteur: Helena Kuijl (Waeterinckx Van Herpe Advocaten)

De Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank te Brussel sprak op 3 februari 2026 een vonnis uit (zie ECLI:BE:ORBRL:2026:JUG.20260203.1) in het faillissement van een natuurlijke persoon, waarbij vooral de ambtshalve toepassing van het ne bis in idem‑beginsel centraal stond.

Voor een goed begrip: dit beginsel houdt nauw verband met het gezag van gewijsde als grond van verval van de strafvordering en verhindert dat iemand twee keer wordt vervolgd of bestraft voor (substantieel) dezelfde feiten.

De rechtbank stelde eerst vast dat het actief ontoereikend was om de kosten te dekken, zodat de sluiting van het faillissement zich opdrong. De kwijtschelding werd evenwel geweigerd, rekening houdend met faillissementsmisdrijven die hadden plaatsgevonden in het kader van nauw verbonden vennootschappen. De rechtbank oordeelde dat het passief van die vennootschappen aan de oorsprong lag van het faillissement van de natuurlijke persoon, zodat de misdrijven kennelijk grove fouten uitmaakten die tot het persoonlijk faillissement hebben bijgedragen.

Desondanks werd een gevorderd bestuursverbod op grond van artikel XX.229, §§ 1 en 4 WER expliciet afgewezen.

De reden? De misdrijven hadden in hoofde van de betrokkene reeds aanleiding gegeven tot een strafrechtelijk bestuursverbod van tien jaar. Een bijkomend burgerrechtelijk bestuursverbod zou, aldus de rechtbank, een tweede vervolging en bestraffing voor hetzelfde feitencomplex betekenen — een directe schending van het ne bis in idem‑beginsel geregeld onder art. 4.1 Zevende Protocol EVRM.

Daarmee benadrukte de rechtbank dat het bestuursverbod onder artikel XX.229 WER weldegelijk een strafrechtelijk karakter kan dragen. Dit oordeel steunde zij op drie overwegingen:

  • Juridische kwalificatie: de wetgever erkent zelf dat het bestuursverbod mogelijk als straf moet worden beschouwd, gezien de invoering van strafrechtelijke modaliteiten zoals opschorting en uitstel;
  • Aard en doel van de beveiligingsmaatregel (sic): het verbod dient niet enkel ter bescherming van het economisch verkeer, maar bevat ook een duidelijk penaliserend en responsabiliserend element;
  • Ernst van de gevolgen: de sanctie is bijzonder zwaar omdat zij de tot deze maatregel veroordeelde persoon het fundamentele recht ontneemt om te ondernemen.

In samenhang tonen deze factoren aan dat het bestuursverbod uit het economisch recht in werkelijkheid de drempel van een strafsanctie kan overschrijden, waardoor het – desnoods ambtshalve – moet worden getoetst aan de bescherming tegen dubbele bestraffing.

Met dit vonnis wordt in de Nederlandstalige rechtspraak bevestigd wat eerder al in het Franstalige landsgedeelte werd uitgezet (zie Bergen 14 januari 2025, 2024/RG/182, REDI 2025, afl. 2, 77; Ondrb. Henegouwen (afd. Bergen) 13 januari 2025, REDI 2025, afl. 1, 46).

Let wel: wie niet meewerkt, is gezien.

Het ne bis in idem-beginsel zal geen absoluut beletsel vormen voor de cumulatie van een strafrechtelijk en (later) civielrechtelijk bestuursverbod. Zo legde de rechtbank in toepassing van artikel XX.229, § 2 WER wel een maximaal bestuursverbod van drie jaar op wegens een totaal gebrek aan medewerking tijdens de faillissementsafwikkeling. Dit omvat een afzonderlijk feitelijk gedrag dat in deze zaak niet onder het ne bis in idem‑verbod viel. Een beoordeling per zaak blijft evenwel noodzakelijk, aangezien dubbel gebruik tussen artikel XX.229, § 2 WER en artikel 489bis, 4° van het Strafwetboek niet ondenkbaar is.

Deze uitspraak is bijzonder relevant voor het (ondernemings)strafrecht omdat de rechtbank bevestigt dat het verbod op dubbele bestraffing ook grenzen stelt aan sancties binnen het economisch recht, m.n. wanneer maatregelen ondanks hun civielrechtelijk karakter in werkelijkheid een straffend effect nastreven.

(noot: de beroepstermijn loopt zodat het vonnis nog niet definitief is)

Bron: Waeterinckx Van Herpe Advocaten

» Bekijk alle artikels: Insolventie & Faillissement

Boeken in de kijker: