Zekerheden: een update
aan de hand van wetgeving en rechtspraak

Mr. Ivan Peeters en mr. Philip Van Steenwinkel (Hogan Lovells)

Webinar op vrijdag 8 november 2024


Faillissementsrecht:
recente wetgeving én rechtspraak anno 2024

Mr. Ilse van de Mierop en mr. Charlotte Sas (DLA Piper)

Webinar op vrijdag 6 december 2024


De nieuwe wet op de private opsporing

Dhr. Bart De Bie (i-Force) en mr. Stijn De Meulenaer (Everest)

Webinar op donderdag 17 oktober 2024

Misdrijven inzake insolventie en bedrieglijk bewerkstelligen van onvermogen: wat wijzigt er door Boek II van het Strafwetboek? (LegalNews)

Auteur: Marc Vandecasteele (LegalNews)

De wetten van 29 februari 2024 tot invoering van boek I en boek II van het Strafwetboek werden gepubliceerd in het Staatsblad van 8 april 2024. Een onderdeel van de Boek II behandelt ook de insolventiemisdrijven en het bedrieglijk bewerkstelligen van onvermogen, hier gebundeld per artikel en met telkens toevoeging van de Memorie van Toelichting.

In de Memorie van toelichting wordt vooreerst de reden toegelicht waarom de misdrijven inzake insolventie gehandhaafd blijven in Boek II van het Strafwetboek in plaats van ze veeleer in te voegen in het Wetboek van economisch recht.

‘De misdrijven die verband houden met de staat van faillissement en/of insolventie zijn van technische aard en worden gekenmerkt door de hantering van begrippen die ontleend zijn aan het handelsrecht. De hoedanigheid van handelaar of van bestuurder, in rechte of in feite, van een handelsvennootschap evenals de staat van faillissement, die bestanddelen zijn van het merendeel van deze misdrijven, zijn immers begrippen afkomstig uit het handelsrecht. De vraag rijst dan ook of het opportuun is om die misdrijven te handhaven in Boek II van het Strafwetboek of om ze veeleer in te voegen in het Wetboek van economisch recht. Maar recentelijk nog zijn op grond van de wet van 11 augustus 2017 wijzigingen aangebracht in de artikelen 489 tot 490 van het Strafwetboek en zijn tevens de strafbaarstellingen, bedoeld in de artikelen 72 en 73 van de wet 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen, ingevoegd in Boek II van het Strafwetboek (nieuwe artikelen 490ter en 490quater Sw.). Daarom wordt thans geopteerd voor de handhaving van die bepalingen in Boek II van het Strafwetboek.’

Deel 1. Misdrijven die verband houden met de insolventie van ondernemingen

Art. 489. Staat van faillissement

De strafvordering wegens bankbreuk wordt gevoerd los van enige vordering die bij de ondernemingsrechtbank mocht zijn ingesteld. De staat van faillissement kan evenwel niet worden betwist voor de strafrechter indien deze is vastgesteld bij een in kracht van gewijsde getreden beslissing van de ondernemingsrechtbank of van het hof van beroep aan het einde van een procedure waarbij de beklaagde partij was, hetzij persoonlijk, hetzij als vertegenwoordiger van de gefailleerde onderneming.

Memorie van Toelichting:

‘Deze bepaling herneemt artikel 489quater van het huidige Strafwetboek. Zij doelt op de afstemming van de vorderingen van de rechtbanken van koophandel en de strafrechtbanken met betrekking tot de staat van faillissement.’

Art. 490. Eenvoudige bankbreuk

Eenvoudige bankbreuk is het door een onderneming bedoeld in artikel I.1, eerste lid, 1°, van het Wetboek van economisch recht of door een bestuurder in rechte of in feite van een vennootschap of van een rechtspersoon in staat van faillissement:

1° opzettelijk, ten behoeve van derden en zonder voldoende tegenprestatie, aangaan van al te aanzienlijke verbintenissen gelet op de financiële toestand van de onderneming;

2° opzettelijk, zonder wettelijk verhinderd te zijn, verzuimen de verplichtingen vastgelegd bij artikel XX.146 van het Wetboek van economisch recht na te leven;

3° doen van aankopen tot wederverkoop beneden de koers of toestemmen in leningen, effectencirculaties en andere al te kostelijke middelen om zich geld te verschaffen, met het oogmerk om de faillietverklaring uit te stellen;

4° opzettelijk verhullen van uitgaven of verliezen of geen verantwoording afleggen over het bestaan of over de aanwending van de activa of een deel ervan, zoals zij uit de boekhoudkundige stukken blijken op de datum van staking van betaling, en van alle goederen van welke aard ook, die zij naderhand zouden hebben verkregen;

5° betalen of bevoordelen van een schuldeiser ten nadele van de boedel met het oogmerk de faillietverklaring uit te stellen;

6° verzuimen om binnen de termijn gesteld bij artikel XX.102 van het Wetboek van economisch recht aangifte te doen van het faillissement, met het oogmerk de faillietverklaring uit te stellen;

7° opzettelijk verzuimen om, naar aanleiding van de aangifte van het faillissement, de inlichtingen vereist bij artikel XX.103 van hetzelfde Wetboek, te verstrekken;

8° opzettelijk verstrekken van onjuiste inlichtingen naar aanleiding van de aangifte van het faillissement of naderhand in antwoord op de vragen van de rechtercommissaris of van de curators.

Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1. De poging tot het misdrijf bedoeld in dit artikel is niet strafbaar.

Memorie van Toelichting:

‘Deze bepaling groepeert de strafbaarstellingen bedoeld in de artikelen 489 en 489bis van het huidige Strafwetboek. De ontworpen tekst herneemt de term “bankbreuk”, aangezien de schrapping en de vervanging ervan door de uitdrukking “misdrijf dat verband houdt met de staat van faillissement” onderhevig waren aan kritiek vanuit de rechtsleer. Ofschoon enig begrip kan opgebracht worden voor de zakenman die af te rekenen krijgt met moeilijkheden binnen zijn onderneming en die wordt gedreven door de wil om haar te redden, lijkt een depenalisering van die gedragingen toch niet gerechtvaardigd. Met de notie “bestuurder” worden alle bestuurders in feite of in rechte begrepen aan wie de feiten kunnen worden toegerekend. Gelet op het feit dat de eenvoudige bankbreuk vaak wordt gepleegd vanuit een achtenswaardige drijfveer of een hopeloze situatie, moet dit misdrijf slechts bestraft worden met een straf van niveau 1 (wat overeenkomt met de huidige strafmaat na conversie). De poging tot het misdrijf bedoeld in dit artikel is dus niet strafbaar.’

Art. 491. Bedrieglijke bankbreuk

Bedrieglijke bankbreuk is door een onderneming bedoeld in artikel I.1, eerste lid, 1°, van het Wetboek van economisch recht of door een bestuurder, in rechte of in feite, van een vennootschap of van een rechtspersoon in staat van faillissement, het, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden:

1° verduisteren of verbergen van een gedeelte van de activa;

2° geheel of gedeeltelijk doen verdwijnen van de boeken of bescheiden, bedoeld in hoofdstuk 2 van titel 3 van boek III van het Wetboek van economisch recht.

Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.

Memorie van Toelichting:

‘Deze bepaling herneemt de strafbaarstelling bedoeld in artikel 489ter van het huidige Strafwetboek. De Commissie tot Hervorming van het Strafwetboek had ervoor gekozen dit misdrijf te beperken tot de verberging, omdat zij oordeelde dat de verduistering van activa zou kunnen vallen onder het toepassingsgebied van de misdrijven van gemeen recht, zijnde misbruik van vertrouwen en misbruik van vennootschapsgoederen. Naar aanleiding van het advies van het College van procureurs-generaal (advies van 26 januari 2023) werd beslist tot reïntegratie van verduistering, zoals nu opgenomen in artikel 489ter van het huidige Strafwetboek. Het College van procureurs-generaal is van mening dat “vergeleken met het concept van misbruik van goederen van een privaatrechtelijke rechtspersoon, vereist verduistering van activa niet de voorwaarde van aanzienlijke schade. Het begrip verduistering van activa is ruimer dan de andere twee begrippen. Wat logisch lijkt gezien de situatie van staking van betaling” (vrije vertaling) Om deze redenen is de verduistering opgenomen in 1°. Aangezien de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen is opgeheven, maar de bepalingen ervan wel zijn opgenomen in het Wetboek van economisch recht in hoofdstuk II van Boek III (getiteld “Boekhouding van de ondernemingen” – art. III.82 ev.), moet die wijziging in aanmerking worden genomen. Naar analogie met de verduistering en het misbruik van vennootschapsgoederen wordt bedrieglijke bankbreuk bestraft met een straf van niveau 3. Overeenkomstig artikel 48 van het nieuwe Boek I en onder de voorwaarden bedoeld in dat artikel, kan het beroepsverbod worden uitgesproken voor de misdrijven van bankbreuk.’

Art. 492. Bedrieglijke aantasting van de activa of passiva van een gefailleerde persoon

Bedrieglijke aantasting van de activa of passiva van een gefailleerde persoon is het met bedrieglijk opzet door een derde:

1° geheel of ten dele wegnemen, verbergen of helen van de activa in het belang van de gefailleerde onderneming, zelfs zonder de medewerking van deze onderneming of van de bestuurders, in rechte of in feite, van die vennootschap of rechtspersoon;

2° indienen of bevestigen, in eigen naam of door tussenpersonen, van verhulde of overdreven schuldvorderingen bij het faillissement.

Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3.

De poging tot het misdrijf bedoeld in dit artikel is niet strafbaar.

Memorie van Toelichting:

‘Deze bepaling herneemt de strafbaarstelling bedoeld in artikel 489quinquies uit het huidig Strafwetboek. Naar analogie met de bedrieglijke bankbreuk wordt de bedrieglijke aantasting van de activa of passiva van een gefailleerde persoon bestraft met een straf van niveau 2. De poging tot het plegen van het misdrijf bedoeld in dit artikel is niet strafbaar.’

Art. 493. Ontrouw in het beheer van het faillissement

Ontrouw in het beheer van het faillissement is het, met bedrieglijk opzet, aantasten van de belangen die door het instituut van het faillissement moeten worden beschermd door een curator in het kader van de uitoefening van deze functie. Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 3. Hij wordt daarenboven veroordeeld tot teruggave en schadeloosstelling die aan de boedel zijn verschuldigd.

Memorie van Toelichting:

‘Deze bepaling herneemt het strafbare feit bedoeld in artikel 489sexies uit het huidig Strafwetboek. Evenwel werd, in navolging van het advies van de Raad van State (nr. 95) de formulering van de strafbaarstelling herzien gelet op het feit dat de notie “ontrouw” op dit moment niet is gedefinieerd in de wetgeving. Volgens de rechtsleer impliceert de ontrouw het met bedrieglijk opzet aantasten van de belangen van de massa en behelst alle gedragingen waarbij de curator in zijn eigen voordeel heeft beschikt over het geheel of een deel van de massa. Het Hof van Cassatie oordeelde dat “de door de wet niet nader omschreven ontrouw samenvalt, zoals in de omgangstaal, met de fout die uit eigenbelang of hebzucht wordt begaan in de uitoefening van een ambt, betrekking of taak; dat de wetgever, door ontrouw van de curator in het beheer van de failliete boedel als een misdrijf aan te merken, de curator heeft willen straffen die, door daden welke aan bovenstaande omschrijving beantwoorden, gehandeld heeft in strijd met de belangen die het instituut van het faillissement tot doel heeft te beschermen, zoals onder meer de belangen van de schuldeisers”. Aangezien de notie “ontrouw” niet enkel de verduistering omvat, maar ook alle andere vormen van frauduleuze handelingen begaan door de curator ten nadele van de belangen van die door het instituut van het faillissement worden beschermd, maakt deze strafbaarstelling geen dubbel gebruik uit met het misdrijf verduistering door een persoon met een openbare functie (art. 633). Aldus kan ontrouw in het beheer van het faillissement worden gedefinieerd als het, met bedrieglijk opzet, aantasten van de belangen die door het instituut van het faillissement moeten worden beschermd door een curator in het kader van de uitoefening van deze functie. Het misdrijf vereist een bijzonder opzet, nl. het bedrieglijk opzet.608 Wegens het publieke vertrouwen resulterend uit het gerechtelijk mandaat dat is toevertrouwd aan de curator alsook wegens de aanzienlijke verantwoordelijkheid die daaruit voortvloeit, wordt ontrouw in het beheer van de curatele bestraft met een straf van niveau 3.’

Art. 494. Schending van de procedure van gerechtelijke reorganisatie door een schuldenaar

Schending van de procedure van gerechtelijke reorganisatie door een schuldenaar is het door een schuldenaar, met het oogmerk de procedure van gerechtelijke reorganisatie te verkrijgen of te vergemakkelijken:

1° verbergen van een gedeelte van zijn activa of passiva, de activa overdrijven of de passiva minimaliseren, op welke manier ook;

2° doen of laten optreden bij de beraadslagingen van een of meer vermeende schuldeisers of schuldeisers waarvan de schuldvorderingen overdreven zijn;

3° weglaten van een of meer schuldeisers uit de lijst van schuldeisers;

4° doen of laten doen van onjuiste of onvolledige verklaringen aan de rechtbank of aan een gerechtsmandataris over de staat van zijn zaken of de vooruitzichten van reorganisatie.

Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2. De poging tot het misdrijf bedoeld in dit artikel is niet strafbaar.

Memorie van Toelichting:

‘Deze bepaling stemt overeen met de strafbaarstelling bedoeld in artikel 490ter van het huidige Strafwetboek, ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017609, die op zijn beurt louter de inhoud van artikel 72 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen heeft overgenomen. Hier moet het moreel bestanddeel worden verduidelijkt: aangezien die gedragingen opzettelijk aangenomen zijn met het oog op beïnvloeding van de procedure van gerechtelijke reorganisatie, wordt het bedrieglijk opzet om de procedure van gerechtelijke reorganisatie te verkrijgen of te vergemakkelijken in aanmerking genomen als moreel bestanddeel. De bedrieglijke schending van procedure van gerechtelijke reorganisatie door een schuldenaar wordt bestraft met een straf van niveau 2. Aangezien de strafbaarstelling voornamelijk beoogt dat de spelregels van de gerechtelijke reorganisatie worden nageleefd, is de poging niet strafbaar.’

Art. 495. Bedrieglijke schending van de procedure van gerechtelijke reorganisatie door derden

Bedrieglijke schending van de procedure van gerechtelijke reorganisatie door derden is het met bedrieglijk opzet:

1° deelnemen aan de stemming bepaald bij artikel XX.78 of XX.83/14 van het Wetboek van economisch recht, zonder schuldeiser te zijn;

2° als schuldeiser zijn schuldvorderingen overdrijven;

3° hetzij met de schuldenaar, hetzij met enige andere persoon, bijzondere voordelen bedingen om de stemming over het reorganisatieplan in een bepaalde richting te sturen, of een bijzondere overeenkomst sluiten waaruit voor hen een voordeel zou voortvloeien ten laste van de activa van de schuldenaar.

Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.  De poging tot het misdrijf bedoeld in dit artikel is niet strafbaar.

Memorie van Toelichting:

‘Ook hier wordt de strafbaarstelling, bedoeld in artikel 490quater van het Strafwetboek zoals ingevoegd bij de wet van 11 augustus 2017610 hernomen (herneming van artikel 73 van de wet 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen). Hier wordt het bedrieglijk opzet als moreel bestanddeel in aanmerking genomen. Ook hier, naar analogie met de bedrieglijke aantasting van de activa of passiva van een gefailleerde persoon, wordt de bedrieglijke schending van de procedure van gerechtelijke reorganisatie vanwege een derde bestraft met een straf van niveau 2.

Ook hier is de poging niet strafbaar.’

Deel 2. Overige vormen van bedrog

Art. 496. Bedrieglijk bewerkstelligen van onvermogen

§ 1. Het bedrieglijk bewerkstelligen van onvermogen is het met bedrieglijk opzet bewerkstelligen van zijn onvermogen en het niet voldoen aan de op hem rustende verbintenissen. Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2.

§ 2. Dat de schuldenaar zijn onvermogen heeft bewerkstelligt, kan worden afgeleid uit elke omstandigheid waaruit blijkt dat hij zich onvermogend heeft willen maken.

§ 3. Poging tot het in dit artikel bedoelde misdrijf is niet strafbaar.

Memorie van Toelichting:

‘Voor het organiseren van bedrieglijk onvermogen is het nodig dat twee materiële bestanddelen samen optreden, nl. het niet uitvoeren van de verplichtingen en het organiseren van onvermogen, en een bijzonder moreel bestanddeel, het bedrieglijk opzet. Deze strafbaarstelling wordt voortaan opgenomen in de onderafdeling gewijd aan de overige vormen van bedrog aangezien ze niet tot de materie van de faillissementen behoort. De ontworpen bepaling herneemt in wezen het artikel 490bis van het huidige Strafwetboek. Het organiseren van bedrieglijk onvermogen wordt bestraft met een straf van niveau 2. In het geval van herhaling zal een straf van niveau 3 kunnen worden opgelegd. Aangezien de doelstelling van de strafbaarstelling is om erover te waken dat de dader zijn verplichtingen niet ontduikt, moet de poging tot het organiseren van bedrieglijk onvermogen niet strafbaar zijn, wat voorzien wordt in paragraaf 3 van de bepaling.’

Art. 497. Strafuitsluitende verschoningsgrond

De derde die deelneemt aan het bedrieglijk bewerkstelligen van onvermogen wordt niet gestraft indien hij de hem overhandigde goederen teruggeeft.

Memorie van Toelichting:

‘Dit artikel neemt in de vorm van een strafuitsluitende verschoningsgrond de oorzaak van verval van strafvordering over voortvloeiend uit het “actieve berouw” van de derde deelnemer die de hem overhandigde goederen teruggeeft.’

Art. 498. Bedrieglijke verberging

Bedrieglijke verberging is het zich met bedrieglijk opzet toe-eigenen, door verberging of overdracht, van een roerend goed dat aan een ander toebehoort en dat door de dader is gevonden of bij toeval in zijn bezit is gekomen, alsook het zich met bedrieglijk opzet meester maken van het geheel van een schat die men heeft ontdekt op andermans grond. Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 2. Poging tot het in dit artikel bedoelde misdrijf is niet strafbaar.

Memorie van Toelichting:

‘De ontworpen bepaling herneemt de twee vormen van bedrieglijke verberging, namelijk van een roerend goed dat toebehoort aan een ander en het feit van zich onrechtmatig een schat toe te eigenen. De voorwaarden van strafbaarstelling blijven ongewijzigd. De bedrieglijke verberging wordt bestraft met een straf van niveau 2.
De poging tot bedrieglijke verberging is niet strafbaar, zoals ook vandaag het geval is.’

Art. 499. Afzetterij

Afzetterij van dranken, voeding, logies of vervoer is het zich opzettelijk in een daartoe bestemde inrichting laten opdienen van dranken of voeding die men daar geheel of gedeeltelijk verbruikt, het verblijven in te betalen logies, het gebruik maken van een taxidienst of het huren van een huurrijtuig, wetende dat men in de volstrekte onmogelijkheid verkeert om te betalen. Afzetterij van brandstof is het zich met bedrieglijk opzet onttrekken aan de onmiddellijke betaling van brandstof, energie of smeerolie na een voertuig daarvan te hebben laten voorzien. Deze misdrijven worden bestraft met een straf van niveau 1. Poging tot het in dit artikel bedoelde misdrijf is niet strafbaar.

Memorie van Toelichting:

‘Zoals momenteel al het geval is, onderscheidt de ontworpen bepaling de afzetterij van dranken, voedingsmiddelen, logies of vervoer en het niet-betalen van getankte brandstof en behoudt dezelfde definities. Wat de niet-betaling van getankte brandstof betreft, werd de term “energie” toegevoegd om de bevoorrading met andere types drijfkracht op te nemen zoals elektriciteit.

Afzetterij wordt bestraft met een straf van niveau 1. De poging tot afzetterij wordt niet bestraft zoals momenteel het geval is.’

Art. 500. Uitgifte van cheques zonder dekking

Uitgifte van cheques zonder dekking is een van de volgende gedragingen:

1° het opzettelijk uitgeven van een cheque of enig andere titel die gelijkgesteld is met een cheque, zonder toereikende en beschikbare dekking;

2° het opzettelijk overdragen van een van deze titels, wetende dat de dekking niet toereikend en beschikbaar is;

3° het, na een van deze titels te hebben uitgegeven, opzettelijk geheel of gedeeltelijk afhalen van hun dekking in de loop van de aanbiedingstermijn;

4° het, na een van deze titels te hebben uitgegeven, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden, geheel of ten dele onbeschikbaar maken of afhalen van de dekking.

Dit misdrijf wordt bestraft met een straf van niveau 1. Poging tot het in dit artikel bedoelde misdrijf is niet strafbaar.

Memorie van Toelichting:

‘De ontworpen bepaling herneemt en groepeert de strafbaarstellingen die momenteel zijn opgenomen in artikel 509bis van het Strafwetboek (postcheque) en artikel 61 van de wet van 1 maart 1961 betreffende het invoeren in de nationale wetgeving van de eenvormige wet op de cheque en de inwerkingtreding van deze wet. Het uitgeven van ongedekte cheques wordt bestraft met een straf van niveau 1.

De poging tot het uitgeven van ongedekte cheques is niet strafbaar, zoals ook momenteel het geval is.’

Lees de Volledige fiche van het Wetsontwerp

Webinars on demand

» Bekijk alle artikels: Insolventie & Faillissement