Insolventie in een internationale context

Webinar on demand

Insolventierecht en de raaklijnen met het strafrecht

Webinar on demand

De wisselwerking tussen de curator en individuele schuldeisers in faillissement

Webinar on demand

De individuele actie/ beschermingsmogelijkheden van de schuldeisers bij gerechtelijke reorganisatie

Webinar on demand

Het beslagrecht anders belicht

Webinar on demand

Voordeelpakket
‘Beslag en zekerheden’

3 Webinars on demand

Kwijtschelding van restschulden bij faillissement? Het Grondwettelijk Hof maakt een einde aan de vervaltermijn van drie maanden (Gevaco Advocaten)

Auteur: Alexander Vanlessen (Gevaco Advocaten)

Verzoek tot kwijtschelding van restschulden ook mogelijk na het verstrijken van drie maanden

Een eerste beslissing die zich bij een startende ondernemer opdringt is de keuze om zijn activiteit uit te oefenen, hetzij als een eenmanszaak, hetzij onder de vorm van een vennootschap.

Bij de oprichting van een vennootschap creëer je een nieuwe rechtspersoon, terwijl je bij een eenmanszaak in eigen naam handelt.

Dit heeft als gevolg dat bij een eenmanszaak geen onderscheid wordt gemaakt tussen het vermogen van de onderneming, en het privé vermogen van de ondernemer zelf. Je staat als ondernemer natuurlijke persoon met andere woorden met je volledige persoonlijke vermogen ook in voor de schulden van de onderneming. Dit houdt uiteraard financiële risico’s in en kan zeker ingeval van faillissement verregaande gevolgen hebben.

Om  hieraan tegemoet te kunnen komen heeft de wetgever voor een ondernemer/natuurlijke persoon een gunstmaatregel in het leven geroepen waardoor deze bij faillissement de verschoonbaarheid kon vragen en hij niet langer kon aangesproken worden voor de restschulden. Restschulden zijn de schulden die bij de afsluiting van het faillissement en na de realisatie van de activa overblijven.

Deze gunstmaatregel bestaat niet voor in faling gegane rechtspersonen.

Natuurlijke personen die in faling zijn verklaard na 1 mei 2018 vallen niet meer onder het principe van de verschoonbaarheid, maar van de kwijtschelding. De wet voorziet dat de kwijtschelding automatisch wordt toegekend, tenzij een schuldeiser en/of het Openbaar Ministerie zich hiertegen verzetten en kan bewijzen dat de gefailleerde kennelijk grove fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement.

Tot voor kort was het vereist dat de gefailleerde natuurlijke persoon het verzoek tot kwijtschelding moest indienen binnen de drie maanden na de publicatie van het faillissementsvonnis. Eens deze periode was verstreken, kon dit niet meer worden aangevraagd en moest de gefailleerde natuurlijke persoon met zijn ganse vermogen blijven instaan voor de schulden die niet werden afgelost na realisatie van het actief.

Het Grondwettelijk Hof heeft echter ingegrepen en met een arrest van 21 oktober 2021 het wetsartikel vernietigd dat in voormelde vervaltermijn van drie maanden voorzag.

Het Grondwettelijk Hof meent vooreerst dat de parlementaire voorbereiding van de wet geen motivering voorziet voor het feit dat er een verzoek door de gefailleerde moet worden ingediend, en nog minder voor het feit dat dit binnen de 3 maanden moet gebeuren. Ten tweede acht het hof de betreffende vervaltermijn in strijd met de doelstelling van de wet, met name het bevorderen van ‘tweedekansondernemerschap’. De mogelijkheid om opnieuw met een propere lei van start te gaan wordt immers ontnomen indien de vervaltermijn van drie maanden is verstreken, hetgeen niet bijdraagt aan voormelde doelstelling.

Tot slot oordeelt het Grondwettelijk Hof dat de vervaltermijn van drie maanden niet pertinent is voor de spoedige afwikkeling van het faillissement, en dat het overschrijden van de vervaltermijn onevenredige gevolgen voor de gefailleerde natuurlijke persoon met zich meebrengt.

De vernietiging van de betreffende vervaltermijn van drie maanden zal onmiddellijke gevolgen hebben voor de rechtspraak over de kwijtschelding. Voortaan zal een verzoek tot kwijtschelding van restschulden ook kunnen worden ingediend na het verstrijken van de termijn van drie maanden na publicatie van het faillissementsvonnis. Evenwel moet worden aangenomen dat zulk verzoek voorafgaand aan de sluiting van het faillissement moet worden gedaan, aangezien de voorwaarde van het indienen van een verzoek overeind is gebleven en de rechtbank daarover dient te oordelen uiterlijk in het vonnis houdende sluiting van het faillissement.

Gefailleerde natuurlijke personen die de kwijtschelding niet hebben bekomen wegens het verstrijken van de vervaltermijn krijgen aldus een tweede kans om alsnog de kwijtschelding te vragen ingeval hun faillissement nog niet werd afgesloten.

Indien het faillissement wel reeds werd afgesloten, moet worden nagegaan of de ex-gefailleerde een verzoekschrift voor de sluiting heeft neergelegd of niet. Indien een faillissement werd afgesloten zonder toekenning van de kwijtschelding wegens het neerleggen van een laattijdig verzoekschrift voor de sluiting, zal de ex-gefailleerde alsnog een rechtsmiddel kunnen aanwenden gezien er een verzoekschrift werd neergelegd. Indien daarentegen geen verzoekschrift werd neergelegd, en het faillissement reeds werd afgesloten, zal de ex-gefailleerde geen kwijtschelding meer kunnen bekomen aangezien de vereiste van het neerleggen van een verzoekschrift nog steeds bestaat en niet werd nageleefd.

De nieuwe aanvraag tot kwijtschelding moet in ieder geval worden gedaan binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de publicatie van het arrest van het Grondwettelijk Hof in het Belgisch Staatsblad. Het arrest werd gepubliceerd op 13 december 2021, waardoor een nieuwe aanvraag kan worden gedaan tot 13 juni 2022.

Bron: Gevaco Advocaten