Insolventierecht:
3 actuele thema’s onder de loep

Webinar op 17 november 2022

De koop-verkoopovereenkomst van aandelen
(Share Purchase Agreement)

Webinar op 20 oktober 2022

De impact van drie recente wetten op de werking van elke rechtspersoon

Webinar on demand

Insolventie in een internationale context

Webinar on demand

Insolventierecht en de raaklijnen met het strafrecht

Webinar on demand

De wisselwerking tussen de curator en individuele schuldeisers in faillissement

Webinar on demand

Het persoonlijk faillissement van de bestuurder: Een ‘fresh start’ of een koude douche? (Van Steenbrugge Advocaten)

Auteur: Charlotte Donck (Van Steenbrugge Advocaten)

Publicatiedatum: 06/08/2021

Wanneer een BV of een NV failliet wordt verklaard, is de bestuurder van de onderneming in principe niet persoonlijk gehouden om de schulden van de vennootschap te betalen, tenzij er sprake is van bestuurders- en/of oprichtersaansprakelijkheid, een openstaande rekening-courant en/of (een) persoonlijke borgstelling(en).

De schulden, waarvoor de gewezen bedrijfsleider in die gevallen persoonlijk kan worden aangesproken, kunnen dusdanig oplopen, waardoor hij/zij niet langer in staat is om in de terugbetaling te voorzien.

Om aan de schuldenberg het hoofd te bieden, voorziet de wet in twee mogelijkheden: de collectieve schuldenregeling of het persoonlijk faillissement. Op dat laatste wordt in deze bijdrage dieper ingegaan.

Sinds de inwerkingtreding op 01.05.2018 van boek XX van het Wetboek van Economisch Recht (hierna: WER), kan een gewezen bestuurder, die op duurzame wijze heeft opgehouden te betalen, naast de collectieve schuldenregeling, opteren voor het persoonlijk faillissement.

Cruciaal daarbij is dat het faillissement enkel open staat voor ‘ondernemingen’, terwijl een collectieve schuldenregeling daarentegen enkel open staat voor natuurlijke personen die geen ‘onderneming’ zijn in de zin van art. I.1, 1° WER (art. 1675/2 Ger.W).

Een onderneming wordt onder meer omschreven als “iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent”.

Een meerderheidsstrekking in de rechtspraak en rechtsleer neemt aan dat een gewezen bestuurder kan worden aangemerkt als ‘onderneming’ en dus in principe, op eigen verzoek, het persoonlijk faillissement kan aanvragen. Een eerste voorwaarde is dat dit verzoek moet worden gedaan binnen de zes maanden nadat de gewezen bestuurder zijn/haar ondernemingsactiviteiten heeft stopgezet. Een tweede voorwaarde is dat de gewezen bestuurder als schuldenaar moet hebben opgehouden te betalen en dat zijn/haar krediet reeds geschokt was, op het moment dat hij/zij nog de hoedanigheid van onderneming had.

Het eerste gevolg van het persoonlijk faillissement is dan dat de gefailleerde op relatief korte termijn met een schone lei kan herbeginnen. Een uitspraak over de kwijtschelding kan namelijk aangevraagd worden vanaf 6 maanden na de datum van het faillissementsvonnis. De kwijtschelding kan dus veel sneller uitgesproken worden en effect hebben, dan wanneer de schuldenaar zou worden toegelaten tot de procedure van collectieve schuldenregeling, waarbij doorgaans een kwijtschelding volgt en een afbetalingsplan wordt bepaald dat gespreid wordt over een periode van vijf à zeven jaar.

Het tweede gevolg is dat de restschulden, na een persoonlijk faillissement, bijna automatisch worden kwijtgescholden door de ondernemingsrechtbank. De ondernemingsrechter heeft daarbij immers in principe geen beoordelingsbevoegdheid. Wel behouden belanghebbenden, zoals de curator en/of de schuldeiser(s), daarbij de spreekwoordelijke stok achter de deur. Het verzoek tot kwijtschelding kan namelijk door de ondernemingsrechter geweigerd worden wanneer een belanghebbende, bij gemotiveerd verzoekschrift, daartegen bezwaar uit en aantoont dat de gewezen bestuurder een kennelijk grove fout heeft begaan die heeft bijgedragen tot het faillissement van de onderneming (art. XX. 173, §3, eerste lid WER).

Opmerking:

volgens de wettekst moet het verzoek tot kwijtschelding van de gefailleerde binnen de drie maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis ingediend worden (art. XX.173, §2, eerste lid WER). Recent heeft het Grondwettelijk Hof evenwel geoordeeld dat deze vervaltermijn van drie maanden een onevenredige beperking van de rechten van de gefailleerde (en diens naaste familieleden) met zich meebrengt en dat er dan ook met deze vervaltermijn niet langer rekening moet worden gehouden (Grondwettelijk Hof 22 april 2021, nr. 62/2021).

Een derde gevolg is ten slotte dat het de gefailleerde persoon toegelaten is om inkomsten te behouden die na de faillietverklaring verworven worden en die voortkomen uit een oorzaak die dateert van na het faillissement. Concreet is het daardoor mogelijk om als gefailleerde een doorstart te maken en/of onmiddellijk een nieuwe (zelfstandige) activiteit op te starten (tenzij er uiteraard een beroepsverbod werd opgelegd), waarvan men de inkomsten mag behouden. Dit geldt eveneens voor bijvoorbeeld een erfenis, die men ontvangt na de datum van faillietverklaring.

De insteek van de wetgever is hierbij duidelijk: men heeft de gefailleerde de mogelijkheid van een ‘fresh start’ willen bieden. De schuldeiser daarentegen, blijft in dergelijke omstandigheden wel gefrustreerd (in zijn rechten) achter, want die vist vaak achter het net, tenzij het faillissement waardevolle activa bevat die de curator zal verzilveren om met de opbrengst daarvan de schuldeisers te betalen.

Het persoonlijk faillissement betekent met andere woorden voor de gewezen bestuurder niet per se het einde van zijn/haar ondernemerschap, maar betekent voor de schuldeisers veelal wel dat hun mogelijkheden om (een deel van) hun schuldvordering te recupereren sterk worden ingeperkt.

Lees hier het originele artikel