Grondwettelijk Hof over de vervaltermijn voor aanvraag kwijtschelding bij faillissement: een ‘fresh start’ voor de wetgever? (Corporate Finance Lab)

Auteur: Joeri Vananroye (Corporate Finance Lab)

Publicatiedatum: 22/04/2021

Grondwettelijk Hof – Arrest nr. 62/2021 van 22 april 2021

Een onderneming-natuurlijke persoon kan in een faillissement ten aanzien van de schuldeisers worden bevrijd van de restschulden (met enkele uitzonderingen). Hoewel het WER dat niet zeer expliciet zegt, wordt meestal aangenomen dat de rechter deze kwijtschelding in beginsel moet toekennen, met de ogen dicht en desnoods met de knijper op de neus. De rechter kan enkel (geheel of gedeeltelijk) weigeren indien (i) er een verzoek is in die zin van een belanghebbende (een schuldeisers, de curator, het OM) en (ii) de gefaillisseerde kennelijk groven fouten heeft begaan die hebben bijgedragen tot het faillissement.

Dit werd door de wetgever in de markt gezet als een automatische wissing van de restschulden (A. Van Hoe, S. Brijs en J. Cardinaels, “Het nieuwe insolventierecht: op zoek naar nieuwe evenwichten”, in Curatoren en vereffenaars V, Intersentia, 2020, 20, nr. 24).

Hoewel dit spoort met de hoge procedurele en materiële drempel voor een weigering van kwijtschelding, is dit enigzins misleidend. Art. 173 § 2 WER bepaalt immers dat de gefailleerde deze kwijtschelding moet verzoeken. Daarzonder kan de rechter de kwijtschelding niet toekennen. Dat verzoek kan bij de aangifte van faillissement of later tot uiterlijk drie maanden na de bekendmaking van het faillissementsvonnis. Dit werd door de rechtspraak als een vervaltermijn beschouwd (ibid., 22, nr. 44). Deze vervaltermijn werd in een arrest van het Grondwettelijk Hof van vandaag 22 april 2021 in strijd bevonden met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel:

“B.5.1. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt niet waarom de wetgever ervoor heeft gekozen de uitspraak over de kwijtschelding van restschulden afhankelijk te maken van een uitdrukkelijk verzoek van de gefailleerde, noch waarom hij dat verzoek aan een vervaltermijn onderwerpt. Overigens houdt de wetgever er geen rekening mee dat de noodzaak van de kwijtschelding pas later tot uiting zou kunnen komen.

B.5.2. Niettegenstaande de laagdrempelige manier waarop de kwijtschelding van restschulden door de gefailleerde kan worden gevraagd, legt de in het geding zijnde bepaling een vormvereiste op waaraan hij dient te voldoen, op straffe van verval, om voor die kwijtschelding in aanmerking te komen. Daaruit volgt dat, wanneer de gefailleerde nalaat tijdig een kwijtschelding van restschulden te vragen, de door de wetgever nagestreefde doelstelling het tweedekansondernemerschap te bevorderen, die als essentieel wordt beschouwd, in het gedrang komt als gevolg van de in het geding zijnde bepaling.

B.5.3. Het tijdstip waarop de gefailleerde om die kwijtschelding verzoekt, heeft geen invloed op het beheer van de boedel, op de aangifte en de verificatie van de schuldvorderingen of op de vereffening van het faillissement.

Ook het tijdstip waarop de schuldeisers, het openbaar ministerie of de curator krachtens artikel XX.173, § 3, van het Wetboek van economisch recht vorderen dat de kwijtschelding slechts voor een deel wordt toegekend of volledig wordt geweigerd, heeft daarop geen invloed. Die bepaling laat hun overigens toe die vordering al in te stellen vanaf de bekendmaking van het faillissementsvonnis, zelfs indien de gefailleerde op dat ogenblik nog niet om kwijtschelding heeft verzocht. Die bepaling onderwerpt hun vordering tijdens de faillissementsprocedure overigens niet aan enige vervaltermijn en laat hun zelfs toe haar bij wijze van derdenverzet in te stellen uiterlijk drie maanden na de bekendmaking van het vonnis van kwijtschelding. Hoewel het verzoek tot kwijtschelding krachtens de in het geding zijnde bepaling uitgaat van de gefailleerde, rust de bewijslast van de kennelijk grove fouten die hebben bijgedragen tot het faillissement overigens bij de partijen die zich tegen de volledige kwijtschelding verzetten.

In die omstandigheden kan de in het geding zijnde vervaltermijn niet als een pertinente maatregel voor de spoedige afwikkeling van het faillissement worden beschouwd.”

De toepassing van het gelijkheidsbeginsel op vervaltermijnen maakt elke praktizijn wellicht wat ongemakkelijk: het behoort immers tot de aard van vervaltermijnen om een disproportioneel onderscheid te maken tussen wie de termijn naleeft en wie niet. Het Grondwettelijk Hof erkent in haar motivering ook de grote discretionaire bevoegdheid die de wetgever hier heeft.

Dat belet niet dat het Hof hier wel degelijk de vinger legt op een moeilijk te begrijpen wonde: waarom de toekenning een quasi-automatische maken en dan tegelijk een procedurele drempel invoegen. Het komt me voor dat de beste oplossing is om de rechter in elke faillissement van een natuurlijke persoon uitspraak te laten doen over de kwijtschelding. Werk voor de wetgever dus. Daarbij kan ook nagedacht worden of de inhoudelijke drempel niet scherper kan. Maar dat is een andere debat.

De pun in de titel is ontleend een bijdrage van meester Stan Brijs in het Liber Amicorum Gérard.

Lees hier het originele artikel