Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?
Overweeg dan zeker onze voordeelformules!
Krijg toegang tot +250 opleidingen
Live & on demand webinars
Met tussenkomst van de kmo-portefeuille
Zekerheden anno 2026:
een update aan de hand van wetgeving en rechtspraak
Mr. Ivan Peeters (NautaDutilh)
Mr. Philip Van Steenwinkel (Hogan Lovells)
Webinar op donderdag 19 november 2026
Faillissementsrecht anno 2026:
recente wetgeving en rechtspraak
Mr. Ilse Van de Mierop en mr. Charlotte Sas
(DLA Piper)
Webinar op donderdag 26 november 2026
Generatieve AI
in de juridische praktijk
Dr. Wim De Mulder (KU Leuven)
Webinar op donderdag 25 februari 2027
Vennootschapsrecht anno 2026:
recente wetgeving en rechtspraak
Mr. Joris De Vos en mr. Laurens Engelen (Dentons)
Webinar op vrijdag 23 oktober 2026
Faillissement en beroepsverbod. Twee vonnissen van de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel 3 februari 2026 (Recht op zaterdag)
Auteur: Marc Vandecasteele (Recht op zaterdag)
Een grove nalatigheid (en zeker een geheel van verschillende grove nalatigheden) kan, zelfs als niet intentioneel en bij gebrek aan kwade trouw, ook een kennelijk grove fout uitmaken (vonnis van 3 februari 2026)
De Procureur Des Konings van Halle-Vilvoorde voert aan dat:
- Er geen jaarrekeningen werden neergelegd, en de curator aangeeft geen enkele boekhouding te hebben ontvangen;
- De vennootschap sinds de start geen sociale bijdragen betaalde, en bovendien ook vennootschapsbelasting en BTW niet betaald werd, en de vennootschap zichzelf op deze wijze kunstmatig krediet verschafte;
- Er laattijdig aangifte van het faillissement werd gedaan in toepassing van art. XX.102 WER (de vennootschap moest worden gedagvaard door één van haar schuldeisers, en dit terwijl er reeds een passief van in totaal 138.917,31 euro werd opgebouwd zonder noemenswaardig actief);
- Er geen werkelijke zetel was, aangezien deze gevestigd was op de zetel van accountantskantoor ‘Belaccount’, die meedeelden dat zij niets met de gefailleerde vennootschap te maken hadden, en zij het pand gehuurd hadden na vertrek van de gefailleerde vennootschap
Dit alles wordt niet weerlegd. Er is duidelijk sprake van kennelijk grove fouten die hebben geleid, en dus zeker bijgedragen, tot een faillissement.
Het verweer van de gefailleerde betwist bovenstaande feiten niet, maar is gebaseerd op het argument dat gefailleerde niet moedwillig en te kwader trouw de vennootschap failliet heeft laten gaan. Het verwijst naar de ernstige medische problemen van de gefailleerde. Er worden verschillende stukken aangebracht waaruit blijkt dat de gefailleerde inderdaad ernstige psychische problemen heeft gekend.
Dat de vennootschap wel kon worden opgericht, wordt gekaderd in een periode waarin gefailleerde aangaf geen last te hebben van deze problemen. Daarna zou gefailleerde zijn hervallen – wat heeft geleid tot de hierboven opgesomde feiten.
Vervolgens wordt aangegeven, evenwel zonder stukken die dit staven, dat gefailleerde vooruitzicht heeft op een volledig herstel van zijn psychische en fysieke gezondheid.
In essentie betoogt gefailleerde hiermee dat opdat er sprake zou zijn van een misdrijf, er sprake moet zijn van een materieel en een moreel bestanddeel, en dat het betreffende moreel bestanddeel niet aanwezig is, dan wel dat er sprake is van een verschoningsgrond.
De rechtbank stelt vast dat het gevorderde beroepsverbod kan worden opgelegd zonder dat er een strafbaar misdrijf moet worden bewezen: een kennelijk grove fout die heeft bijgedragen tot het faillissement is het noodzakelijk maar ook voldoende. Dergelijk foutcriterium vereist geen intentionaliteit.
Een grove nalatigheid (en zeker een geheel van verschillende grove nalatigheden zoals hier voorhanden is) kan, zelfs als niet intentioneel en bij gebrek aan kwade trouw, ook een kennelijk grove fout uitmaken. Een kwalificatie als “straf” in de zin van art. 6 EVRM doet hier niet van af.
Het opleggen van een bestuursverbod voor exact dezelfde feiten als diegene waarvoor reeds een strafrechtelijke sanctie werd opgelegd en de mogelijke schending van het ne bis in idem-beginsel. (vonnis van 3 februari 2026)
De curator vraagt een beroepsverbod op te leggen aan de bestuurder, beherend vennoot van de Gefailleerde, op grond van artikel XX. 229 §1 (kennelijke grove fout), §2 (geen medewerking met de curator) en §4 WER.
De curator verwijst naar de kennelijk grove fouten zoals hierboven reeds vastgesteld, die hebben bijgedragen tot huidig faillissement, en hebben geleid tot een veroordeling tot een gevangenisstraf, boete en strafrechtelijk bestuursverbod bij vonnis van de Nederlandstalige Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel van 19 december 2024.
De rechtbank stelt ambtshalve vast dat de curator feitelijk de toepassing van art. XX.229, §1 en §4 WER vordert voor fouten die reeds hebben geleid tot een strafrechtelijke veroordeling. Er wordt gevorderd louter op basis van dezelfde feiten, tegen dezelfde persoon. Er wordt niet opgeworpen dat de veroordeling nog niet definitief zou zijn.
De rechtbank stelt vast dat reeds een gevangenisstraf van 18 maanden, een geldboete van 8000 euro en een strafrechtelijk beroepsverbod van 10 jaar werd opgelegd – welke straf duidelijk en zonder dat hierover ernstig debat mogelijk is zwaarder is dan het gevorderde burgerrechtelijk beroepsverbod.
De rechtbank stelt vast dat er geen enkele motivering wordt gegeven, dan wel reden voorhanden lijkt te zijn, om een bijkomend burgerrechtelijk beroepsverbod op te leggen.
De vordering tot oplegging van een bestuursverbod in de zin van art. XX.229, §1 en §4 WER wordt afgewezen.
Wat betreft art. XX.229, §2 WER, wijst de curator op een absoluut gebrek aan medewerking bij de afwikkeling van het faillissement. Er volgde na aanschrijven door de curator geen enkele reactie, noch contactname. Deze ingesteldheid is niet verenigbaar met normaal economisch handelen, en rechtvaardigt een maximumtermijn van 3 jaar.
Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat het beroepsverbod van art. XX.229, §2 WER andere feiten sanctioneert dan het hierboven afgewezen beroepsverbod van art. XX.229, §1 en §4 WER, en er zich dus geen schending van het ne bis in idem-beginsel voordoet.
» Bekijk alle artikels: Insolventie & Faillissement














