De gemeenrechtelijke beperkingen inzake derdenverzet zijn niet van toepassing op het derdenverzet tegen een faillietverklarend vonnis – Cass. 9 september 2021 (Corporate Finance Lab)

Auteur: Vincent Verlaeckt (gastblogger Corporate Finance Lab)

Met het arrest van 9 september 2021 (C.21.0043.N) heeft het Hof van Cassatie nogmaals de processuele autonomie en specialiteit van de insolventiewetgeving bevestigd.

Het Hof diende zich uit te spreken over de toepasselijkheid van artikel 1122, 2de lid, 3° Ger.W. op een ingesteld derdenverzet tegen het faillietverklarend vonnis. Dit artikel bevat een opsomming van partijen die volgens gemeenrecht geen derdenverzet kunnen aantekenen.

Het derdenverzet tegen een faillietverklarend vonnis is opgenomen in artikel XX.108, §2 WER. Het rechtsmiddel staat volgens voormeld artikel open voor “de belanghebbenden die […] geen partij zijn geweest”. Voormeld artikel heeft het enkel over “de belanghebbende” en bevat (in tegenstelling tot artikel 1122 Ger.W.) geen uitzonderingen.

De vraag was aldus of inzake derdenverzet tegen een faillietverklarend vonnis de gemeenrechtelijke uitzonderingen voorzien in art. 1122, 2de lid, 3° Ger.W. nog steeds als een aanvulling (of een beperking) van XX.108 WER moesten gelezen worden.

VERGOUSTRAETE stelt hierover dat “elke belanghebbende” in de zin van artt. 17 en 18 Ger.W. derdenverzet tegen een faillietverklarend vonnis kan instellen (Manuel de l’insolvabilité de l’entreprise, Mechelen, Kluwer, 2019, 761)

ZENNER stelt daarentegen dat de uitzonderingen van art. 1122,2de lid,3° Ger.W. wel van toepassing blijven. (Traité du droit de l’insolvabilité, Limal, Anthemis, 2019, 899). Ook WAGNER had deze stelling destijds zo geponeerd (Derdenverzet in APR, Mechelen, Kluwer, 2004, 84).

Het Hof van Beroep Gent had in zijn arrest van 5 oktober 2020 een door een (gewone) schuldeiser ingesteld derdenverzet tegen een faillietverklarend vonnis onontvankelijk verklaard omwille van de beperkende voorwaarden van artikel 1122, tweede lid, 3° Ger.W.

Het Hof van Cassatie verbreekt dit arrest en stelt dat deze beperkingen niet van toepassing zijn.

“Krachtens artikel XX.108, § 2, WER kan tegen het vonnis van faillietverklaring verzet worden ingesteld door de verstekdoende partijen en derdenverzet door de belanghebbenden die daarbij geen partij zijn geweest.

Met deze wetsbepaling wijkt de wetgever af van het gemene procesrecht door derdenverzet tegen een faillissementsvonnis open te stellen voor elke belanghebbende in de zin van de artikelen 17 en 18 Gerechtelijk Wetboek, zo ook voor elke belanghebbende schuldeiser buiten de beperkende voorwaarden van artikel 1122, tweede lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek.

9. De appelrechter die oordeelt dat een schuldeiser die met toepassing van artikel XX.108, § 2, WER derdenverzet instelt, moet voldoen aan de beperkende voorwaarden van artikel 1122, tweede lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek en op die grond het derdenverzet van de eiseres als schuldeiser tegen het vonnis van faillietverklaring van de eerste verweerder onontvankelijk verklaart, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.”

Dit arrest is logisch om verschillende redenen,

Vooreerst moet gewezen worden op het gegeven dat het derdenverzet in boek XX anders wordt omschreven dan in het Gerechtelijk wetboek. Naar gemeenrecht staat derdenverzet in beginsel open voor “Ieder die niet behoorlijk is opgeroepen of niet in dezelfde hoedanigheid in de zaak is tussen gekomen”. In het insolventierecht staat het derdenverzet open voor “de belanghebbenden die […] geen partij zijn geweest”. Het is een klein genuanceerd verschil, doch niet onbelangrijk gelet op de problematiek van het oproepen om louter te horen of van het verschijnen (beter gezegd “plots tevoorschijn komen”) in bepaalde insolventieprocedures zonder formele tussenkomst, waardoor men geen partij wordt.  (zie V. VERLAECKT, “rechtsmiddelen tegen het faillissementsvonnis op aangifte. Even terug naar de (vergeten) basis”, RW 2020-21, 482-493).

Verder is de ratio legis van artikel 1122,2de ,3° Ger.W. dat een schuldeiser de fluctuaties in het vermogen van zijn schuldenaar moet ondergaan. Echter, de faillietverklaring gaat verder dan een loutere fluctuatie van het vermogen. Het tast de natuur van zijn schuldenaar op zich aan. Van continuïteit naar stopzetting. Van uitvoerbaar naar samenloop. Met betrekking tot deze wijziging kan een schuldeiser wel valabele belangen hebben om deze metamorfose van haar schuldenaar ongedaan te maken. Niet onbelangrijk in deze context is er aan te herinneren dat de faillissementsvoorwaarden van openbare orde zijn.

Tenslotte lijkt het mij gevaarlijk te zijn om slechts enkele delen van een gemeenrechtelijke wetsartikel toe te passen in specifieke wetgevingen. Het tweede lid van artikel 1122 Ger.W. is een uitzondering op het eerste lid van 1122 Ger.W. en op het rechtsmiddel dat aldaar in dat eerste lid, op die specifieke wijze is omschreven. Art. XX.108, §2 WER is een afwijkende bepaling (lex specialis) van het integrale artikel 1122 Ger.W., van elk lid, van elk nr.°. Indien de wetgever beperkingen op artikel XX.108 WER had willen instellen, dan had hij dit expliciet opgenomen onder “hoofdstuk 2 procedureregels”, waar verschillende procedurele uitsluitingen en beperkingen worden voorzien.

Het voormelde cassatie-arrest is ook nog voor een tweede reden interessant.

Verweerder betwistte immers de ontvankelijkheid van het cassatieberoep omdat volgens verweerder de termijn tot het instellen van het rechtsmiddel een aanvang zou genomen hebben  vanaf de plaatsing van het kwestieuze arrest in het centraal register solvabiliteit (en dus niet vanaf betekening van het arrest). Evident wordt dit middel afgewezen door het Hof van Cassatie. In art. XX.3 WER staat immers letterlijk ”Onverminderd de gevolgen die het Gerechtelijk Wetboek hecht aan betekeningen”. Men kan verschillende artikels van boek XX WER (terecht) voor “interpretatie vatbaar” achten, doch wat duidelijk is, moet niet moeilijk gemaakt worden. Stel u maar de gevolgen voor dat voortaan de plaatsing in RegSol de rechtsgevolgen van betekening zou vervangen. Tegenwoordig plaatst de griffie elk mogelijk vonnis zomaar in het centraal register solvabiliteit, zonder enige wettelijk basis hiertoe. Art XX.3 WER is bv. wel relevant voor de termijnen te bepalen inzake betwisting in het kader van de verificatieprocedure van aangegeven schuldvorderingen.  Bovendien verliest men ook uit het oog dat een rechter-commissaris wel eerst toegang tot het register moet verlenen alvorens men überhaupt kan weten wat erin werd neergelegd. In geval de rechter-commissaris even op vakantie is (wat zijn volste recht is) dan worden er tijdelijk geen verzoeken tot toegang tot het register behandeld, terwijl er dus wel termijnen kunnen lopen. Er is overigens ook geen maximumtermijn voorzien binnen dewelke een ingediende aanvraag tot toegang tot het register moet behandeld worden, wat toch een pijnpunt is wanneer men aanvangstermijnen wil koppelen aan het louter uploaden van stukken (die men niet meteen kan zien).

Bron: Corporate Finance Lab