Cass. 21 juni 2018: pand op schuldvorderingen vs. beslag onder derden (Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht)

Auteur: Inge Vandeplas (Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht) 

Publicatiedatum: 31/07/2021

In dit arrest beslecht het Hof een conflict tussen een pandhouder enerzijds en een beslaglegger anderzijds die beiden aanspraak maken op betaling van dezelfde verpande/beslagen schuldvordering.

Twee vragen dienden zich aan in dit arrest:

1) Aan wie mag de verpande/beslagen derde schuldenaar betalen?

2) In welke mate is de betaling van de verpande/beslagen schuldenaar aan de belastingadministratie tegenwerpelijk aan de pandhouder?

Voor de eerste vraag kijkt het Hof naar de specifieke regels voor wat betreft het derdenbeslag en verpanding van schuldvorderingen. Hierbij stelt het Hof vast dat “na uitvoerend beslag onder derden doet de derde-beslagene krachtens artikel 1543 Gerechtelijk Wetboek afgifte van het bedrag van het beslag in handen van de gerechtsdeurwaarder met het oog op de evenredige verdeling.” Hieruit volgt dat “indien op een verpande schuldvordering een gemeenrechtelijk beslag onder derden werd gelegd door een andere schuldeiser, de pandhouder de schuldvordering niet verder kan innen bij de derde-schuldenaar, maar dat de afgifte door de derde-schuldenaar enkel kan gebeuren in handen van de instrumenterende gerechtsdeurwaarder met het oog op de evenredige verdeling.” De pandhoudende schuldeiser kan zich dus niet beroepen op zijn inningsrecht om betaling van beslagen schuldvorderingen te verkrijgen.

Voor de tweede vraag buigt het Hof zich over de betaling die heeft plaatsgevonden tussen de derde-schuldenaar en de beslaglegger (i.e. de belastingontvanger) en tegenwerpelijkheid van deze betaling ten aanzien van de pandhouder. Normaliter mag de beslagen schuldenaar bevrijdend betalen in handen van de derde-beslaglegger ingevolge art. 164, §1 KB/WIB. Echter deze regel dient te worden samen gelezen met artikel 2075 BW: “de schuldeiser verkrijgt het bezit van een in pand gegeven schuldvordering door het sluiten van de pandovereenkomst. De inpandgeving kan slechts aan de schuldenaar van de in pand gegeven schuldvordering worden tegengeworpen nadat zij hem ter kennis werd gebracht of door hem is erkend. De artikelen 1690, derde en vierde lid, en 1691 zijn van toepassing.”

Artikel 1690, 3de en 4de lid BW schrijven voor dat:

Indien de overdrager dezelfde rechten aan verscheidene overnemers overdraagt, krijgt hij die er zich te goeder trouw op kan beroepen als eerste de overdracht van schuldvordering aan de schuldenaar ter kennis te hebben gebracht of als eerste de erkenning van de overdracht door de schuldenaar te hebben bekomen, de voorkeur.

De overdracht kan niet worden ingeroepen tegen de te goeder trouw zijnde schuldeiser van de overdrager aan wie de schuldenaar te goeder trouw en voordat de overdracht hem ter kennis werd gebracht, bevrijdend heeft betaald.”

Uit deze bepalingen volgt volgens het Hof dat “een eerder pandrecht tegenwerpelijk is aan een later beslag op dezelfde schuldvordering en dat de betaling door de derde- schuldenaar aan de ontvanger krachtens artikel 164, § 1, KB/WIB, in weerwil van de kennisgeving van het pand aan de derde-schuldenaar niet-tegenwerpelijk is aan die pandhouder, ook al is de ontvanger op het ogenblik van de betaling te goeder trouw.”

Lees hier het originele artikel