De bedrijfsleider en strafrechtelijk risicobeheer

Webinar op 10 februari 2023

Voordeelpakket
‘Beslag, borgstelling en zekerheden’

 4 webinars on demand

Insolventie in een internationale context

Webinar on demand

Insolventierecht en de raaklijnen met het strafrecht

Webinar on demand

De wisselwerking tussen de curator en individuele schuldeisers in faillissement

Webinar on demand

De individuele actie/ beschermingsmogelijkheden van de schuldeisers bij gerechtelijke reorganisatie

Webinar on demand

Boedelschulden – Grondwettelijk Hof over de behandeling van fiscale schulden ontstaan tijdens een gerechtelijke reorganisatieprocedure in een navolgende vereffening of faillissement (Corporate Finance Lab)

Auteur: Frederik De Leo (Corporate Finance Lab)

Het Grondwettelijk Hof heeft zich op 10 november 2022 uitgesproken over de vraag naar de bestaanbaarheid van artikel XX.58, tweede lid WER met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het dezelfde behandeling voorbehoudt aan, enerzijds, de schuldeiser wiens schuldvordering contractueel van aard is en beantwoordt aan prestaties die ten aanzien van de onderneming zijn verricht, en anderzijds aan de Belgische Staat, die houder is van een vordering inzake btw of bedrijfsvoorheffing. Volgens het Hof is de keuze van de Belgische wetgever om de fiscale schulden ontstaan tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie overeenkomstig artikel XX.58, tweede lid WER als boedelschulden te beschouwen in een navolgende procedure van vereffening, faillissement of verdeling bij overdracht onder gerechtelijk gezag, niet onverenigbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

***

Wanneer een onderneming een gerechtelijke reorganisatieprocedure aanvraagt en vervolgens erin terechtkomt (wat met enige publiciteit gepaard gaat), bestaat het risico dat de contractspartijen (bv. leveranciers) allerlei maatregelen nemen om hun positie veilig te stellen (zoals uitvoerend beslag voor openstaande schuldvorderingen en het vereisen van contante betaling voor nieuw te leveren diensten of goederen). Nochtans is het voor de slaagkansen van een reorganisatietraject net cruciaal dat de schuldenaar zijn activiteiten kan voortzetten, de cashflow problemen niet verergeren, en er geen discontinuïteit optreedt. Daarvoor heeft de schuldenaar de medewerking van zijn contractspartijen (zoals leveranciers) nodig. De wetgever heeft daarom voorzien in een aantal technieken om de reorganisatiekansen van de schuldenaar te vergroten, zoals de (mini-)opschorting, het verbod op ipso facto clausules (art. XX.56, §1, eerste lid WER), en het statuut van boedelschulden overeenkomstig art. XX.58 WER. Dat artikel XX.58 WER luidt als volgt:

In de mate dat de schuldvorderingen ten aanzien van de schuldenaar beantwoorden aan prestaties uitgevoerd tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie door zijn medecontractant, en ongeacht of zij voortvloeien uit nieuwe verbintenissen van de schuldenaar of uit overeenkomsten die lopen op het ogenblik van het openen van de procedure, worden zij beschouwd als boedelschulden in een navolgende vereffening of faillissement of in de verdeling bedoeld in artikel XX.91 bij overdracht onder gerechtelijk gezag, voor zover er een nauwe band bestaat tussen de beëindiging van de gerechtelijke reorganisatieprocedure en die procedure.

  Fiscale of sociaalrechtelijke heffingen, bijdragen of schulden in hoofdsom ook worden voor de toepassing van dit artikel beschouwd als beantwoordend aan prestaties uitgevoerd door een medecontractant.

  De accessoria van fiscale of sociaalrechtelijke heffingen, bijdragen of schulden ontstaan tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie worden niet beschouwd als boedelschulden in een navolgende vereffening of faillissement.

[…]

In het arrest van 10 november 2022 werd het Grondwettelijk Hof geconfronteerd met de vraag of artikel XX.58, tweede lid WER wel verenigbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, nu de wetgever twee verschillende situaties identiek behandelt. Waar artikel XX.58, eerste lid WER logisch voorkomt in het licht van het bevorderden van de continuïteit van de onderneming (door te vermijden dat de contractanten tijdens de opschorting contante betaling van hun schuldvorderingen zouden eisen), is artikel XX.58, tweede lid WER dat niet. De Belgische Staat heeft immers geen vrijwillige contractuele relatie met de reorganiserende schuldenaar, maar is louter vanwege de toepassing van de wet houder van een schuldvordering op de schuldenaar. Bovendien vinden de schulden hun oorsprong niet in prestaties die door de Belgische Staat voor de onderneming zijn verricht, maar wel in handelingen die de reorganiserende schuldenaar zelf heeft uitgevoerd. Het tweede lid van artikel XX.58 WER voldoet dus niet aan de ratio van het eerste lid, nu het verlenen van het statuut van boedelschuld aan de Belgische Staat niet bijdraagt tot de slaagkansen van het reorganisatietraject van de schuldenaar.

De vraag die aan het Grondwettelijk Hof werd gesteld, kunnen we terugbrengen naar een oudere discussie. Onder het oude artikel 37 WCO bestond er in de rechtspraak en rechtsleer lange tijd verdeeldheid over de vraag of fiscale en sociale schulden in een navolgende vereffening of faillissement kunnen worden beschouwd als boedelschulden – zelfs tot op het niveau van het Hof van Cassatie (zie de Franstalige afdeling in Cass. 16 mei 2014 (boedelschuld) en de Nederlandstalige afdeling in Cass. 27 maart 2015 (geen boedelschuld)). Het Grondwettelijk Hof heeft op 27 april 2017 geoordeeld dat (i) de interpretatie van artikel 37 WCO volgens welke de btw geen boedelschuld kan vormen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt, (ii) aangezien een verschil in behandeling onder de schuldvorderingen van de belastingadministratie niet redelijk verantwoord is, artikel 37 WCO, in die zin geïnterpreteerd dat de schuld inzake bedrijfsvoorheffing een boedelschuld kan uitmaken, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, en (iii) diezelfde bepaling, geïnterpreteerd dat de schuld inzake bedrijfsvoorheffing geen boedelschuld kan uitmaken, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt.

Bij de invoering van Boek XX WER leek het er lange tijd op – tot in het wetsontwerp dat bij de Kamer werd ingediend – dat de wetgever expliciet zou bepalen dat fiscale en sociale schulden niet kunnen vallen onder artikel XX.53 (het oude art. 37 WCO). Op het laatste moment werd die bepaling via een amendement gewijzigd (door het woord “niet” te schrappen), zodat in het huidige Boek XX WER de fiscale en sociale schulden in hoofdsom (in tegenstelling tot bij andere schulden, dus niet de accessoria; zie art. XX.53, derde lid WER) expliciet worden beschouwd als beantwoordend aan prestaties uitgevoerd door een medecontractant (in de zin van art. XX.58, eerste lid WER). Tot slot heeft ook het Hof van Cassatie in zijn arrest van 17 september 2020 (dat betrekking had op art. 37 WCO, maar waarbij het Hof verwees naar de totstandkoming van art. XX.58 WER) geoordeeld dat bedrijfsvoorheffingen onder artikel 37 WCO kunnen worden beschouwd als schuldvorderingen die beantwoorden aan prestaties uitgevoerd door de medecontractant.

Het hoeft niet te verwonderen dat er in de doctrine veel kritiek bestaat op die last minute koerswijziging van de wetgever (gevolgd door het Hof van Cassatie). De verantwoording bij dat amendement maakt de lezer ook niet wijzer over het waarom van die koerswijziging. Gelet op het arrest van het Grondwettelijk Hof van 27 april 2017 en het gebrek aan verantwoording werd door sommige auteurs dus de vraag gesteld of art. XX.58 WER wel verenigbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (Zie bv. M. DELANOTE, “Het lot van bedrijfsvoorheffingsschulden in het licht van een gerechtelijke reorganisatie”, RDC-TBH 2021, (761) 765). Het Grondwettelijk Hof heeft die vraag in zijn arrest van 10 november 2022 beantwoord:

Uit de tekst van de in het geding zijnde bepaling, evenals uit de parlementaire voorbereiding ervan, blijkt dat de wetgever in 2017, anders dan in 2009 het geval was, uitdrukkelijk ervoor heeft gekozen om alle fiscale schulden ontstaan tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie als boedelschulden te beschouwen in een navolgende procedure van vereffening, faillissement of verdeling bij overdracht onder gerechtelijk gezag.

De Ministerraad merkt op dat de in het geding zijnde bepaling toelaat de zwakkere positie van de Staat te compenseren tegenover de andere schuldeisers, die voor zichzelf contractuele waarborgen kunnen regelen, zich kunnen beroepen op de exceptie van niet-uitvoering of kunnen proberen vrijwillige betalingen te verkrijgen. Bovendien zou de belastingontvanger, indien de in het geding zijnde bepaling niet was aangenomen, ertoe kunnen worden aangezet geen uitstel van betaling te verlenen aan de onderneming in gerechtelijke reorganisatie.

Rekening houdend met de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de wetgever in sociaaleconomische aangelegenheden beschikt, is zijn keuze om de fiscale schulden ontstaan tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie als boedelschulden te beschouwen in een navolgende procedure van vereffening, faillissement of verdeling bij overdracht onder gerechtelijk gezag, niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Hoewel de uitspraak van het Grondwettelijk Hof juridisch te begrijpen valt (zij het dat de inhoudelijke beoordeling wel bijzonder summier is), plaats ik toch graag een kanttekening bij de zwakkere positie van de Staat. Zowel de RSZ als de fiscale administratie zijn in feite bijzonder sterke onvrijwillige schuldeisers: zij zijn vaak als eersten op de hoogte van de financiële moeilijkheden van de schuldenaar en beschikken over bijzondere aansprakelijkheidsvorderingen tegen de bestuurders. Dat stond overigens ook met zoveel woorden te lezen in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp: “Hierbij valt nog op te merken dat zowel de RSZ als de fiscale administratie over een separatistenvordering beschikken tegen de bestuurders op grond van hun aansprakelijkheid, wat een bijzonder sterke uitgangspositie biedt” (Parl.St. Kamer 2016-17, nr. 54-2407/001, p. 70). Een bestuurder zal dus sowieso twee keer nadenken alvorens de fiscus en RSZ niet verder te betalen. Er zijn talrijke andere onvrijwillige schuldeisers die meer bescherming verdienen…

Realistischer is het dan ook te stellen dat deze toegeving in artikel XX.58, tweede lid WER politiek noodzakelijk bleek om Boek XX WER tot stand te laten komen (en dat het ook niet politiek haalbaar zal zijn om dit terug te veranderen bij de implementatie van de Herstructureringsrichtlijn). Eigenlijk rijst de vraag hier of de Belgische Staat op die manier niet in zijn eigen voeten schiet. Het opblazen van boedelschulden hypothekeert immers de slaagkansen van een reorganisatieprocedure. Als de wetgever er op deze manier ervoor zorgt dat contractanten minder vertrouwen hebben in hun statuut van boedelschuldeiser en dus contante betaling eisen, dan zou men levensvatbare ondernemingen (tevens werkgevers en belastingbetalers) wegens cashflow problemen het faillissement kunnen induwen. Op de lange termijn zou dit de Belgische Staat eerder kunnen schaden dan baten.

Bron: Corporate Finance Lab