>, Verbintenissen- en zakenrecht>Impact van het Coronavirus op handelscontracten – Is het Coronavirus overmacht of niet? (Argus Advocaten)

Impact van het Coronavirus op handelscontracten – Is het Coronavirus overmacht of niet? (Argus Advocaten)

Auteur: Dirk Vandecasteele en Gert Damiaans (Argus Advocaten)

Publicatiedatum: maart 2020

Er heerst heel wat onzekerheid over de gevolgen van het Covid-19-virus of Coronavirus. Niet alleen heeft het een enorme impact op het sociale leven, maar de maatregelen die door de overheid worden opgelegd laten interpretatie en zodoende onduidelijkheid toe binnen de uitvoering van handelscontracten.

Hieronder laten wij u een verduidelijking over het begrip overmacht en de juridische gevolgen. Vervolgens zullen we dit toepassen om de drie belangrijkste vormen van handelscontracten die momenteel de gevolgen hiervan ervaren: de bouwsector, handelshuur en koop-verkoop.

Wat is overmacht in contractuele relaties?

Om de juridische gevolgen van het coronavirus te kunnen kaderen, dient eerst kort geschetst te worden wat overmacht is en wat concreet de gevolgen hiervan zijn op een bestaande en lopende overeenkomst.

In België is er sprake van overmacht indien de nakoming van een verbintenis (uit de wet of uit een rechtshandeling), volgens sommigen volstrekt of redelijkerwijze, onmogelijk is geworden door een omstandigheid die vreemd is aan zijn wil en voor hem onvoorzienbaar en onoverkomelijk was.

U zal meteen opmerken dat er aan tal van voorwaarden moet voldaan worden vooraleer de overmachtssituatie kan ingeroepen worden.

Het moet aldus handelen om omstandigheden die de nakoming van de verbintenissen (tijdelijk of definitief) onmogelijk maken. Alzo bestaat er de fysieke of materiële onmogelijkheid en de wettelijke of juridische onmogelijkheid. Bijv. tenietgaan door brand of beslissingen van de overheid.

Daarnaast wordt ook vaak de zogenaamde relatieve onmogelijkheid in rekening gebracht. Er mag niet verwacht worden van de contractspartij dat deze buitenmenselijke inspanningen zou moeten leveren.  Zo kan de morele onmogelijkheid wel in aanmerking genomen worden als overmacht. Het zal echter aan de beoordeling van de rechter overgelaten worden of deze morele onmogelijkheid objectief en reëel is.

Daarenboven mogen deze omstandigheden niet toerekenbaar zijn aan de partij de moet presteren. Het ingeroepen voorval moet volledig vreemd, onafhankelijk zijn aan de wil van de contractspartij. Het voorval mag niet voorzienbaar en moet onvermijdbaar zijn.

Hierbij dient benadrukt te worden dat het coronavirus op zich, allicht nooit in aanmerking zal kunnen genomen worden als een overmachtssituatie. Het coronavirus zelf maakt de uitvoering van overeenkomsten niet onmogelijk. Op dat vlak is het coronavirus gelijk te stellen met een ziekte. Het zijn echter de beslissingen van de overheid die beoordeeld moeten worden als een overmachtsituatie.

Wat zijn de gevolgen van overmacht?

Kortweg gesteld voorkomt een overmachtsituatie dat de contractpartij aansprakelijk kan worden gesteld wegens een contractuele wanprestatie. Niemand kan immers gehouden worden tot het onmogelijke.

Door toepassing te maken van overmacht wordt de werking van de verbintenissen en de bindende kracht ervan hetzij tijdelijk, hetzij definitief opgeheven. Voor de eventuele toepassing van het coronavirus zal het merendeel handelen over een tijdelijke opschorting van de overeenkomst, tenzij de uitvoering van de overeenkomst geen nut meer zou hebben. (bijv. levering van producten die vervallen)

Belangrijk hierbij aan te stippen is dat de rechtsgevolgen van overmacht plaats hebben vanaf het ogenblik dat overmacht zich realiseert, niet eerder, maar ook niet veel later, zoals hieronder nog nader zal toegelicht worden.

Logischerwijze dient de andere partij uiteraard ook niet te presteren als haar contractspartij zich op overmacht beroept.   (bijv. levering van goederen wordt uitgesteld; betaling zal ook mogen uitgesteld worden)

Toepassing op overeenkomsten inzake aanneming

De bouwsector kreunt momenteel onder de gevolgen van het coronavirus, dan wel beslissingen de preventief worden genomen waarbij werven over het gehele land worden gesloten.

We zullen de situatie op de voet volgen, maar op het ogenblik van de redactie van dit artikel, is er geen algemene maatregel opgelegd waardoor de werven verplicht dienen gesloten te worden.

Door het uitblijven van een dergelijke allesomvattende maatregel tot sluiting (‘lockdown’) moet elke werf en elk werk individueel bekeken worden.

Eenvoudigweg stellen dat een aannemer omwille van het coronavirus de prestaties opschort, is aldus op dit ogenblik veel te kort door de bocht.

Indien een individuele aannemer – een persoon die zonder personeel werkt – wordt getroffen door het coronavirus, zal het in zijn hoofde een overmacht uitmaken om te presteren. De overheid legt immers een verbod op om buitenshuis prestaties te leveren als coronapatiënt. Indien deze aannemer over personeel beschikt, zal er geen overmacht zijn, omdat het personeel de taken in principe kunnen blijven uitvoeren.

Indien de hoofdaannemer met een dergelijke overmacht van zijn onderaannemer wordt geconfronteerd, ontslaat het de hoofdaannemer niet voor de prestaties die ten aanzien van de bouwheer moeten geleverd worden. De hoofdaannemer zal dienen in te staan voor de vervanging van de onderaannemer.

De andere omstandigheid die momenteel kan ingeroepen worden als overmacht is de onmogelijkheid om te voldoen aan de opgelegde maatregel inzake social distancing (afstand houden van 1,5m van elkaar).

De regel van social distancing geldt zowel voor de uitoefening van het werk als voor het door de werkgever georganiseerde vervoer. De overheid stelt wel dat als het voor bedrijven onmogelijk is om aan deze verplichtingen te voldoen, zij hun deuren moeten sluiten.

Aldus zal elke beslissing inzake het coronavirus bijzonder goed gedocumenteerd en gemotiveerd dienen te worden. Een aannemer gespecialiseerd in de uitvoering van dakbedekking zal moeilijker kunnen voldoen aan deze maatregel dan een tuinaannemer.

Een aannemer die uitdrukkelijk stelt zijn werkzaamheden wél te kunnen uitvoeren met het respecteren van de social distancing zal in principe toegelaten moeten worden om de werken uit te voeren.

Los daarvan kan de (hoofd)aannemer beslissen om de werf te schorsen, omdat de veiligheid, personeel en bevoorrading niet meer toelaten de werf volledig of gedeeltelijk voort te zetten. Ook op vlak zal de beslissing dienen gemotiveerd te worden en uiteraard geldt deze beslissing dan ook ten aanzien van de onderaannemers.

Het eenvoudigweg opschorten van verbintenissen omwille van het coronavirus, zal echter onvoldoende zijn en maakt de aannemer of bouwheer die tot deze beslissing overgaat aansprakelijk voor mogelijke vertragingsboetes of kosten voor opschorting van de werf.

Toepassing op overeenkomsten inzake handelshuur

De overheid heeft beslist om alle niet-essentiële winkels en horecazaken te sluiten. Het merendeel van de handelaars zijn echter geen eigenaar van de panden waarin zij hun activiteiten ontplooien.

Er bestaat dan ook grote onduidelijkheid zowel voor de verhuurders als voor de huurders van handelspanden.

Indien we de huurovereenkomst ontleden tot de meest essentiële verplichtingen, handelt het om een verplichting van de verhuurder tot het ter beschikking stellen van een onroerend goed alwaar de huurder een rustig genot kan hebben. De huurder heeft de verbintenis tot betaling van de huurgelden en onderhoud van het pand.

De onderhoudsverplichting van de huurder zal uiteraard blijven bestaan en wordt niet opgeschort. De hamvraag bestaat er in of de huurder de huurgelden zal moeten blijven betalen of de betaling ervan zal mogen opschorten.

De beslissing van de overheid tot sluiting van welbepaalde winkels en horecazaken is echter geen situatie die het voor de huurder onmogelijk maakt om de huur te betalen. De verplichte sluiting is evenmin toe te rekenen aan de verhuurder.

De handelshuurder draagt het risico van  zijn handelsactiviteiten, met inbegrip van alle (ook externe) factoren die een impact kunnen hebben om het al dan niet succesvol karakter ervan.

Het risico dat de overheid een bepaalde activiteit, tijdelijk of blijvend, verbiedt of bemoeilijkt is inherent aan dit ondernemersrisico en dit kan niet zonder meer aan de verhuurder overgedragen worden.    Deze laatste stelt het gebouw immers onverminderd ter beschikking,   verschaft nog steeds het rustig genot dat hij kan en moet verschaffen en het pand blijft onverminderd in de bedongen staat ter beschikking van de huurders; de verhuurder maakt zich niet schuldig aan een contractuele wanprestatie en de sluiting is inherent aan de aard van de bedrijfsactiviteit, dus het ondernemingsrisico.

De beslissing tot sluiting van de overheid is geen situatie die het voor de huurder onmogelijk maakt om de huurgelden te betalen en/of zijn andere verbintenissen (vb. onderhoud) uit te voeren.

De huurder zal dus gehouden zijn tot betaling van de huurgelden. Hierbij geven wij de bedenking mee dat de crisis allicht van tijdelijke aard is en het niet onredelijk is te stellen dat van de ondernemer verwacht mag worden dat zijn onderneming beschikt over een financiële buffer (cfr. ook kredietmogelijkheden) om tijdelijke moeilijkheden te overbruggen en dat hij als huurder de eventuele negatieve fluctuaties in zijn omzetcijfer (= ondernemingsrisico) niet ten laste van de verhuurder mag leggen.

Dit lijkt ons een correcte toepassing van het overmachtsbegrip in het kader van handelshuurovereenkomst, maar er is  de realiteit  dat elke situatie soeverein door  de rechterlijke macht  zal beoordeeld worden.

Het coronavirus zorgt voor historisch ongeziene omstandigheden en mogelijks zal hierop ingespeeld worden in de toekomstige rechtspraak.

Het is niet ondenkbaar dat een vrederechter kan  oordelen dat het vrij genot van het handelspand ingevolge het overheidsbevel tot sluiting niet langer gewaarborgd was en dat dit  een overmachtsituatie uitmaakt waardoor  de huurder toch  ontslagen zou worden  van zijn betalingsverbintenis … of dat bij wijze van Salomonsoordeel bij vonnis wordt geoordeeld dat  de helft van huur komt te vervallen.

Dan stelt zich meteen de vraag of in die hypothese dan eveneens dezelfde theorie niet moet doorgetrokken worden naar de aflossing van de hypothecaire kredieten van de verhuurder-eigenaar.

Laten we in ieder geval hopen dat alle Vrederechters nu reeds over dergelijke zaken hun hoofden buigen, zodat er eensgezinde rechtspraak zal volgen over het geheel land.

Voor huurovereenkomst die na de beslissing van de overheid werden afgesloten of op een ogenblik dat er redelijkerwijze kon verwacht worden dat de sluiting zou opgelegd worden, lijkt er geen betwisting mogelijk dat de huurder het risico zeer bewust op zich nam en geen overmacht kan inroepen.

Toepassing op overeenkomsten van koop-verkoop

Inzake koopverkoopovereenkomsten is de oplossing iets makkelijker te stellen.

Indien door de opgelegde maatregelen van de overheid er een onmogelijkheid bestaat om de goederen te leveren, zal dit geen reden omvatten voor de koper om de overeenkomst te ontbinden.

Wel dient de ingeroepen omstandigheid de verkoper volstrekt of redelijkerwijze in de onmogelijkheid te plaatsen om te leveren. Zich enkel beroepen op de maatregel inzake social distance zal aldus onvoldoende zijn, omdat door een kleine meerinspanning een alternatieve wijze van levering wel mogelijk is.

De koper zal op zijn beurt enkel een beroep kunnen doen op de overmacht indien de oorzaak van overeenkomst volkomen komt te vervallen. Met andere woorden dat een levering op een latere datum geen enkel nut meer heeft waartoe de initiële levering dienst was. (bijv. verkoop van bederfbare etenswaren, leveringen aan specifiek evenement, …)

Lees hier het originele artikel

2020-03-23T15:17:29+00:00 25 maart 2020|Categories: Handelsrecht - Verbintenissen- en zakenrecht|Tags: , , , |