Aansprakelijkheid van hulppersonen
in en buiten de contractketting.
Een analyse in het licht van Boek 6

Prof. dr. Ignace Claeys en mr. Camille Desmet (Eubelius)

Webinar op vrijdag 30 augustus 2024


Het nieuwe Boek 6:
de impact op de werkvloer

Mr. Chris Persyn (Cautius)

Webinar op donderdag 4 juli 2024


De invoering van Boek 6
en de impact voor de medische sector

Prof. dr. Christophe Lemmens (Dewallens & Partners)

Webinar op vrijdag 4 oktober 2024


Woninghuur in Vlaanderen en Brussel:
het antwoord op 25 praktijkvragen

Mr. Ulrike Beuselinck en mr. Koen De Puydt (Seeds of Law)

Webinar op dinsdag 27 augustus 2024


Zekerheden: een update
aan de hand van wetgeving en rechtspraak

Mr. Ivan Peeters en mr. Philip Van Steenwinkel (Hogan Lovells)

Webinar op vrijdag 8 november 2024


De nieuwe wet op de private opsporing

Dhr. Bart De Bie (i-Force) en mr. Stijn De Meulenaer (Everest)

Webinar op donderdag 17 oktober 2024

Wet Productaansprakelijkheid als wettelijke aansprakelijkheids-beperking? (Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht)

Auteur: Olivier Vanden Berghe (Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht) 

In een noemenswaardig arrest van 14 maart 2024 (C.23.0100.N) heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat de Wet Productaansprakelijkheid de toepassing beperkt van de buitencontractuele foutaansprakelijkheid van artikel 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek.

Ofschoon artikel 13 van de Wet Productaansprakelijkheid stelt dat ze de rechten die het slachtoffer ontleent aan het recht inzake contractuele of buitencontractuele aansprakelijkheid onverlet laat, oordeelt het Hof van Cassatie dat, zodra de inhoudelijke grondslag van de aansprakelijkheid erin bestaat dat een gebrekkig product in het verkeer werd gebracht en schade heeft veroorzaakt, de producent en de leverancier slechts aansprakelijk kunnen worden gesteld en het slachtoffer slechts vergoeding kan verkrijgen binnen de voorwaarden van de Wet Productaansprakelijkheid. Hun buitencontractuele aansprakelijkheid op basis van artikelen 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek kan dus slechts weerhouden worden als de onrechtmatige daad op een andere fout steunt dan het in het verkeer brengen van het gebrekkig product.

Het Hof van Cassatie verwijst hiervoor, aan de hand van de consideransen van de Richtlijn en arresten van het Hof van Justitie, naar het hoofddoel van de Richtlijn om, door middel van een maximumharmonisatie, de verschillen weg te werken tussen nationale aansprakelijkheidsstelsels voor schade veroorzaakt door gebrekkige producten, ten behoeve van de verwezenlijking van de interne markt en de vrijwaring van de vrije mededinging tussen marktdeelnemers.

Het Hof preciseert dat deze uitsluiting van het buitencontractuele aansprakelijkheidsstelsel geldt ongeacht of het een hoger niveau van bescherming zou kunnen bieden aan het slachtoffer.

Dit betekent logischerwijze dat de vordering, conform de Wet Productenaansprakelijkheid, verjaart door verloop van drie jaar, te rekenen van de dag dat de eiser kennis kreeg of had moeten krijgen van de schade, het gebrek en de identiteit van de producent. De eiser kan dus niet genieten van de langere verjaringstermijn van de buitencontractuele aansprakelijkheid, tenzij hij een onderscheiden fout inroept.

De bewoording van het arrest heeft ook verregaande gevolgen voor de vergoedbare schade. De Wet Productaansprakelijkheid voorziet immers enkel vergoeding voor welbepaalde soorten schade veroorzaakt door gebrekkige producten, met name de schade toegebracht aan personen en de schade toegebracht aan goederen bestemd zijn voor gebruik of verbruik in de privésfeer, die laatste onder aftrek van een franchise van € 500. Voortgaand op het arrest zou het slachtoffer, ondanks bewijs dat het op de markt brengen van een gebrekkig product een buitencontractuele fout uitmaakt, geen vergoeding kunnen vorderen van schade aan andere goederen dan privé-gebruiksgoederen, waarvoor de Wet Productaansprakelijkheid dus impliciet een wettelijke exoneratie zou inhouden.

De Wet Productaanspakelijkheid is dus dubbelzinnig. Zij is voordelig voor het slachtoffer als er geen bewijs is van fout, maar als bewezen wordt dat het op de markt brengen van het product een fout uitmaakt is de wet nadelig want zij ontzegt hem de integrale schadevergoeding.

Men kan zich dus verwachten aan inventieve alternatieve omschrijvingen van de door de producent begane fout, in een poging om aan deze aansprakelijkheidsbeperking te ontsnappen.

Bron: Tijdschrift voor Belgisch Handelsrecht