Vooraf aan consument verstrekte informatie en bewijslast van de onderneming. Arrest Hof van Justitie van 10 juni 2021 (Prof. dr. Reinhard Steennot)

Auteur: Prof. dr. Reinhard Steennot (UGent)

Publicatiedatum: 02/07/2021

Het Hof van Justitie besliste reeds herhaaldelijk dat het transparantievereiste inhoudt dat de gemiddelde consument de economische en juridische gevolgen van een beding moet kunnen inschatten. Duidelijk was reeds dat bij de beoordeling rekening gehouden kon worden met de vooraf aan de consument verstrekte informatie.

Het Hof voegt er nu aan toe dat de bewijslast dienaangaande op de onderneming rust. Het Hof verwijst naar het doeltreffendheidsprincipe dat er zich tegen verzet dat de consument moet bewijzen dat hij bepaalde info niet heeft verkregen (zoals in Consumer Finance).

In de gevoegde zaken C776/19 tot en met C782/19 tegen BNP Paribas Personal Finance SA besliste het Hof (Eerste kamer) het volgende:

1) Artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, gelezen in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan er voor een vordering van een consument:

  • tot vaststelling van het oneerlijke karakter van een beding in een tussen een verkoper en die consument gesloten overeenkomst een verjaringstermijn geldt;
  • tot terugbetaling van bedragen die onverschuldigd zijn betaald op grond van dergelijke oneerlijke bedingen, een verjaringstermijn van vijf jaar geldt die begint te lopen vanaf de dag waarop de offerte voor de lening is aanvaard, zodat de consument op dat tijdstip mogelijkerwijs niet op de hoogte was van al zijn rechten uit hoofde van deze richtlijn.

2) Artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat bedingen van de leenovereenkomst waarin is bepaald dat de buitenlandse valuta de rekenmunt en de euro de betaalmunt is, waardoor het wisselkoersrisico bij de kredietnemer komt te liggen, onder die bepaling vallen wanneer deze bedingen een essentieel element vastleggen dat kenmerkend is voor die overeenkomst.

3) Artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat in geval van een in een vreemde valuta luidende leenovereenkomst is voldaan aan het vereiste van transparantie van de bedingen in die overeenkomst waarin wordt bepaald dat de vreemde valuta de rekenmunt en de euro de betaalmunt is en waardoor het wisselkoersrisico bij de kredietnemer komt te liggen, wanneer de verkoper de consument voldoende en juiste informatie heeft verstrekt die een normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende gemiddelde consument in staat stelt te begrijpen hoe het financiële mechanisme in kwestie concreet werkt en aldus het risico van – mogelijk aanzienlijke – negatieve economische gevolgen van die bedingen voor zijn financiële verplichtingen tijdens de hele looptijd van die overeenkomst in te schatten.

4) Richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staat dat de bewijslast voor de duidelijke en begrijpelijke formulering van een beding van de overeenkomst in de zin van artikel 4, lid 2, van deze richtlijn op de consument rust.

5) Artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13 moet aldus worden uitgelegd dat bedingen in een leenovereenkomst die bepalen dat de vreemde valuta de rekenmunt en de euro de betaalmunt is, en die tot gevolg hebben dat het niet aan een bovengrens gebonden wisselkoersrisico bij de kredietnemer komt te liggen, het evenwicht tussen de uit die overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen aanzienlijk kunnen verstoren ten nadele van de consument, aangezien de verkoper er met inachtneming van het transparantievereiste ten aanzien van de consument niet redelijkerwijs van kon uitgaan dat de consument een uit dergelijke bedingen voortvloeiend onevenredig wisselkoersrisico zou aanvaarden nadat daarover afzonderlijk was onderhandeld.

Lees hier het arrest van het Hof van Justitie van 10 juni 2021