Verkoopcontracten in de landbouw- en voedingsketen strenger gereglementeerd! (De Bock Baluwé Advocaten)

Auteur: Sandrine Doise (De Bock Baluwé Advocaten)

Op 30 april 2019 is de Richtlijn 2019/633/EU van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 inzake oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen in werking getreden (hierna: de Richtlijn).

De Richtlijn beoogt leveranciers van landbouw- en voedingsproducten te beschermen tegen oneerlijke handelspraktijken van hun afnemers. Zo bevat de Richtlijn een overzicht van verboden handelspraktijken, onderverdeeld in een zwarte lijst en een grijze lijst, en worden ook een aantal handhavingsmaatregelen voorzien.

Betere bescherming leveranciers
Met de Richtlijn wordt een minimumnorm ingevoerd, zodat de nationale regels verder kunnen gaan dan wat in de Richtlijn bepaald is. Het Belgische wetsontwerp tot omzetting van de Richtlijn, dat eind september in de Kamer werd rondgedeeld, lijkt alvast op bepaalde punten een stap verder te gaan.

De inwerkingtreding van dit wetsontwerp is voorzien op 1 november 2021. Opgelet, want ook bestaande contracten zullen in overeenstemming moeten gebracht worden met deze nieuwe regelgeving.

Waarom deze Richtlijn?

De Richtlijn is er gekomen omdat de Europese wetgever van oordeel is dat de landbouw- en voedselvoorzieningsketen kwetsbaar kan zijn voor oneerlijke handelspraktijken omwille van onevenwichtigheden die ervaren worden tussen kleine en grote marktdeelnemers. Landbouwers en kleine bedrijven beschikken vaak niet over veel onderhandelingsmacht tegenover hun afnemers die dikwijls grotere retailers betreffen.

Bovendien zijn de leveranciers in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen (meer dan in andere sectoren) afhankelijk van biologische processen en van weersomstandigheden. Die onzekerheid wordt nog versterkt doordat landbouw- en voedingsproducten in meerdere of mindere mate bederfelijk en seizoensgebonden zijn.

Wie wordt beschermd?

De Richtlijn beoogt in eerste instantie de bescherming van landbouwers en hun organisaties (bv. coöperaties, producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties), maar ook leveranciers voedingsproducten verderop in de keten (vaak kmo’s) worden beschermd.

De Richtlijn is van toepassing op alle landbouw- en voedingsproducten, zowel primaire landbouwproducten (met inbegrip van visserij- en aquacultuurproducten) als voedingsproducten die primaire landbouwproducten bevatten en die verwerkt worden tot menselijke voeding. In de Richtlijn wordt hiervoor verwezen naar de lijst vermeld in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (zie hieronder de link).

Belgisch Wetsontwerp gaat verder dan de Richtlijn: menselijke én dierlijke voeding
In het Belgische wetsontwerp wordt geen onderscheid gemaakt naargelang een product verwerkt wordt voor menselijke dan wel dierlijke doeleinden en is de wet van toepassing zodra het geleverde product bestemd is voor voeding.

Concreet betekent dit dat de verschillende stadia van de verkoop van “boer tot bord” of van “boer tot trog” van vlees, vis, schaal- en schelpdieren, groenten, fruit, granen, melk- en zuivelproducten en eieren beoogd wordt.

Enkele specifieke sectoren, zoals de verkoop van druiven en most voor de wijnbereiding, zijn uitgesloten.

In de Richtlijn worden leveranciers en afnemers in zes categorieën opgedeeld op basis van hun jaarlijkse omzet. Een leverancier die in een categorie met een lagere omzet opgedeeld is dan zijn afnemer, kan zich tegenover deze afnemer beroepen op de bijkomende bescherming die de Richtlijn biedt. In het wetsontwerp tot omzetting van de Richtlijn worden de tussendrempels qua omzetcijfer echter niet overgenomen omdat dit in de praktijk moeilijk werkbaar is. Het wetsontwerp voorziet toepassing van de wet indien de leverancier een omzetcijfer van maximaal 350 miljoen euro heeft, behoudens indien het gaat om erkende producentenorganisaties.

Leveranciers die binnen de Europese Unie gevestigd zijn, zijn ook beschermd tegen afnemers die buiten de Europese Unie zijn gevestigd. Ook als overheidsinstanties als afnemer optreden, moeten zij de Richtlijn respecteren.

Om welke oneerlijke handelspraktijken gaat het?

De Richtlijn beoogt bescherming tegen een aantal specifieke handelspraktijken die onderverdeeld zijn in een zwarte en grijze lijst. Zowel handelspraktijken vóór, tijdens als na de uiteindelijke verkooptransactie worden geviseerd.

Verschillende praktijken worden verboden, zoals te lange betalingstermijnen ten gunste van de afnemer of het eisen van bijkomende betalingen van de leverancier die geen verband houden met de verkoop van de betrokken producten.

Volgens het Belgische wetsontwerp tot omzetting van de Richtlijn bevat de zwarte lijst van verboden oneerlijke handelspraktijken de volgende elementen:

  • Betalingstermijnen van meer dan dertig dagen (geen onderscheid naargelang het gaat om bederfelijke of niet-bederfelijke landbouw- en voedingsproducten, wat in de Richtlijn wel zo is);
  • Een annuleringstermijn korter dan dertig dagen (in het Belgische wetsontwerp is dit ook van toepassing voor landbouw- en voedingsproducten die niet als bederfelijk kunnen worden gekwalificeerd, in tegenstelling tot de Richtlijn);
  • De eenzijdige wijziging door de afnemer van essentiële voorwaarden van de leveringsovereenkomst, gespecifieerd als voorwaarden die verband houden met de frequentie, methode, plaats, timing of volume van de levering, voorwaarden die verband houden met de kwaliteitsnormen, betalingsvoorwaarden of prijzen;
  • Betalingsverzoeken van de afnemer die geen verband houden met de verkoop van landbouw- en voedingsproducten door de leverancier;
  • De afwenteling van kosten van verlies of bederf van landbouw- en voedingsproducten door de afnemer op de leverancier, zonder dat het verlies of bederf van de producten aan de leverancier toe te schrijven is;
  • De weigering van de afnemer om de voorwaarden van de leveringsovereenkomst schriftelijk te bevestigen;
  • Het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van bedrijfsgeheimen van de leverancier door de afnemer;
  • Het dreigen met commerciële vergeldingsmaatregelen tegen de leverancier door de afnemer indien de leverancier zijn wettelijke of contractuele rechten uitoefent (met inbegrip van het indienen van een klacht in toepassing van de verbodsbepalingen voorzien in de Richtlijn);
  • Het eisen door de afnemer van een vergoeding voor de kosten voor het onderzoeken van klachten van klanten aan de afnemer, ondanks dat de klachten niet aan de leverancier toe te schrijven zijn.

Naar analogie met de onrechtmatige bedingen in de consumentenwetgeving en recent ook bijkomend de onrechtmatige bedingen ingevoerd voor wat overeenkomsten tussen ondernemingen betreft (B2B), zijn handelspraktijken op de zwarte lijst te allen tijde en niettegenstaande andere afspraken tussen partijen verboden.

De grijze lijst van verboden handelspraktijken omvat het volgende:

  • Het retourneren of niet-betalen door de afnemer van onverkochte landbouw- en voedingsproducten zonder enige vergoeding voor de leverancier;
  • Het vragen door de afnemer van een vergoeding voor opslag, uitstalling, opname in het assortiment of aanbieding op de markt van de landbouw- en voedingsproducten;
  • Het (mede)financieren door de leverancier van kortingen naar aanleiding van promotieacties door de afnemer op de landbouw- en voedingsproducten;
  • Het afwentelen van reclame- en/of marketingkosten voor de landbouw- en voedingsproducten door de afnemer op de leverancier;
  • Het afwentelen op de leverancier van kosten voor personeel van de afnemer dat instaat voor de inrichting van ruimten bestemd voor verkoop van landbouw- en voedingsproducten van de leverancier.

Praktijken die op de grijze lijst staan, zijn enkel toegelaten op voorwaarde dat zij op duidelijke en ondubbelzinnige wijze worden overeengekomen tussen afnemer en leverancier en op voorwaarde dat zij geen retroactieve toepassing kennen.

Wat is de sanctie bij een inbreuk?

De lidstaten moeten zorgen voor een instelling die toeziet op de handhaving van de verbodsbepalingen opgenomen in de Richtlijn. Een dergelijke handhavingsautoriteit kan klachten behandelen, doch kan ook op eigen initiatief een onderzoek instellen. In België moet men zich wenden tot bepaalde ambtenaren met sanctioneringsbevoegdheid van de Algemene Directie Economische Inspectie van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie.

Inbreuken kunnen aanleiding geven tot geldboeten of andere even doeltreffende sancties, zoals de publicatie van informatie over de afnemers die inbreuken hebben gepleegd. De sancties moeten rekening houden met de aard, de duur, de herhaling en de ernst van de inbreuk en dienen doeltreffend, evenredig en afschrikkend te zijn.

Commerciële vergeldingsacties door afnemers teneinde te beletten dat leveranciers hun rechten zouden uitoefenen, of het dreigen daarmee, zijn verboden.

Inwerkingtreding en stand van de omzetting van de Richtlijn in België

De lidstaten van de Europese Unie kregen twee jaar de tijd om de Richtlijn in nationale wetgeving om te zetten. In principe moest de Richtlijn uiterlijk op 1 mei 2021 in Belgische wet zijn omgezet.

Na op de vingers te zijn getikt door Europa, heeft de regering op 7 september 2021 een wetsontwerp tot omzetting van de Richtlijn in Belgisch recht in de Kamer ingediend. Dit werd voor het eerst besproken op de zitting van 6 oktober 2021.

In het wetsontwerp is voorzien in een inwerkingtreding op 1 november 2021. Deze datum wordt ook in de Richtlijn vooropgesteld.

Daarnaast bepaalt de Richtlijn dat bestaande leveringsovereenkomsten uiterlijk twaalf maanden na publicatie van de nationale wetgeving in overeenstemming met de Richtlijn moeten worden gebracht. Ook bestaande contracten moeten dus worden nagezien op conformiteit met de nieuwe regels en indien nodig aangepast.

De uiteindelijk aangenomen wet zal worden geïntegreerd in Boek VI van het Wetboek van Economisch Recht inzake Marktpraktijken en Consumentenbescherming.

Bron: De Bock Baluwé Advocaten