Uber bijt in het zand : volgens Hof van Justitie mogen lidstaten Uber verbieden (LegalNews.be)

Auteur: LegalNews.be

Publicatiedatum: 16/04/2018

Op 10 april 2018 besliste het Europees Hof van Justitie dat de lidstaten het recht hebben om Uber te verbieden.

Wat was de aanleiding tot dit arrest?

Uber France biedt door middel van een smartphone-applicatie een dienst aan genaamd „UberPop”, waarmee zij niet-professionele chauffeurs die hun eigen voertuig gebruiken in contact brengt met personen die een stadstraject willen afleggen. Zoals de tribunal de grande instance de Lille (rechter in eerste aanleg Lille, Frankrijk) in de verwijzingsbeslissing opmerkt, bepaalt die vennootschap in het kader van de door middel van die applicatie aangeboden dienst de tarieven, int zij de prijs van iedere rit bij de klant alvorens een deel ervan aan de niet-professionele chauffeur van het voertuig over te maken, en stelt zij de facturen op.

Uber France is voor die rechterlijke instantie gedagvaard ter zake van, in de eerste plaats, misleidende handelspraktijken tussen 2 februari en 10 juni 2014, in de tweede plaats, vanaf 10 juni 2014, medeplichtigheid bij de illegale uitoefening van het beroep van taxi, en, in de derde plaats, vanaf 1 oktober 2014, het wederrechtelijk organiseren van een systeem waarbij klanten in contact worden gebracht met personen die tegen vergoeding personenvervoer over de weg verrichten met behulp van voertuigen met minder dan tien plaatsen.

In een uitspraak van 17 maart 2016 heeft de tribunal de grande instance de Lille Uber France schuldig verklaard aan misleidende handelspraktijken en die vennootschap ter zake van de illegale uitoefening van het taxiberoep vrijgesproken.

Ter zake van het krachtens artikel L. 3124‑13 van de vervoerswet tenlastegelegde wederrechtelijk organiseren van een systeem waarbij klanten in contact worden gebracht met niet-professionele chauffeurs is er bij voormelde rechterlijke instantie twijfel gerezen over de vraag of die bepaling moet worden beschouwd als een „regel betreffende diensten” van de informatiemaatschappij in de zin van artikel 1, punt 5, van richtlijn 98/34, die in geval zij niet wordt meegedeeld overeenkomstig artikel 8, lid 1, van die richtlijn niet kan worden tegengeworpen aan particulieren, of veeleer als een regel betreffende „diensten op het gebied van vervoer” in de zin van artikel 2, lid 2, onder d), van richtlijn 2006/123.

In deze omstandigheden heeft de tribunal de grande instance de Lille de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld: „Houdt artikel L3124‑13 van de vervoerswet, ingelast bij wet nr. 2014‑1104 van 1 oktober 2014 betreffende het taxibedrijf en auto’s met chauffeur, een nieuw niet-impliciet technisch voorschrift in dat betrekking heeft op een of meer diensten van de informatiemaatschappij in de zin van [richtlijn 98/34], zodat krachtens artikel 8 van de richtlijn voorafgaande kennisgeving ervan aan de Europese Commissie verplicht was, of valt deze bepaling onder [richtlijn 2006/123], die krachtens artikel 2, lid 2, onder d), niet van toepassing is op vervoer?

Wat zegt het Hof van Justitie?

Artikel 1 van richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij, zoals gewijzigd bij richtlijn 98/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 juli 1998, en artikel 2, lid 2, onder d), van richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt, moeten aldus worden uitgelegd dat een nationale wettelijke regeling die strafsancties stelt op het organiseren van een systeem waarbij klanten in contact worden gebracht met personen die tegen betaling personenvervoer over de weg verrichten met behulp van voertuigen met minder dan tien plaatsen, zonder daartoe over een vergunning te beschikken, een „dienst op het gebied van vervoer” betreft voor zover zij van toepassing is op een bemiddelingsdienst die wordt aangeboden door middel van een smartphone-applicatie en die deel uitmaakt van een dienstenpakket waarvan het voornaamste aspect de vervoersdienst is. Een dergelijke dienst is uitgesloten van de werkingssfeer van die richtlijnen.

Lees hier het arrest van 10 april 2018