Boek 7 BW.
Een praktische checklist voor ondernemingen
Prof. dr. Thijs Tanghe en mr. Tijl Eggers (Eubelius)
Webinar op donderdag 2 juli 2026
Digitale fraude:
bancaire en juridische aandachtspunten
Mr. Stijn De Meulenaer (Everest Advocaten)
Webinar op donderdag 2 juli 2026
Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?
Overweeg dan zeker onze voordeelformules!
Krijg toegang tot +250 opleidingen
Live & on demand webinars
Met tussenkomst van de kmo-portefeuille
Mededingingsrecht:
recente ontwikkelingen
Mr. Melissa Van Schoorisse (Covington)
Webinar op vrijdag 25 september 2026
Generatieve AI
in de juridische praktijk
Dr. Wim De Mulder (KU Leuven)
Webinar op donderdag 25 februari 2027
Solden buiten het seizoen: Raad van State zet rem op boetes (aternio)
Auteur: Anaïs Heirewegh (aternio)
Op 20 mei 2026 heeft de Raad van State in drie samenhangende arresten een opmerkelijke knoop doorgehakt in een discussie die de Belgische rechtsleer al jaren bezighoudt. De kern van de uitspraak laat zich in één zin samenvatten: het algemene verbod om de term “solden” of gelijkaardige benamingen te gebruiken buiten de wettelijke soldenperiodes is strijdig met het Europese recht en moet buiten toepassing blijven.
Het directe gevolg is dat drie administratieve boetes, opgelegd door de FOD Economie aan drie modeketens, worden vernietigd. De indirecte impact reikt echter veel verder. De arresten raken immers aan de afdwingbaarheid van een centraal onderdeel van de Belgische soldenregeling.
De aanleiding: boetes voor “nu al solden” buiten het seizoen
De drie zaken werden ingeleid door vennootschappen die deel uitmaken van eenzelfde Belgische modegroep, actief in de multimerkenverkoop van kleding en schoenen. Zij verkopen zowel via webshops als in fysieke winkels.
De Algemene Directie Economische Inspectie van de FOD Economie stelde bij controles in juni 2023 en in de periode december 2023 – januari 2024 vast dat in communicatie van de groep boodschappen verschenen zoals “nu al solden tot -50%” en “solden tot -70%”. Dat gebeurde buiten de wettelijke soldenperiodes.
Daarop werden administratieve geldboetes opgelegd wegens inbreuk op artikel VI.25, § 1 WER. De modegroep trok naar de Raad van State met één centraal argument: die Belgische regel botst met de Europese Richtlijn oneerlijke handelspraktijken en kan dus geen geldige basis vormen voor een boete.
De huidige regelgeving: artikel VI. 25 WER
Om de uitspraak te begrijpen, is het nuttig de draagwijdte van artikel VI.25 WER voor ogen te houden.
Die bepaling verbiedt ondernemingen om de benaming “solden” of gelijkaardige termen te gebruiken voor verkoopacties buiten twee vaste periodes per jaar. Het gaat om de winterkoopjes in januari en de zomerkoopjes in juli, met enkele technische kalenderregels wanneer de startdatum op een zondag valt.
Cruciaal is de aanhef van de bepaling. Sinds de invoering van Boek VI WER begint artikel VI.25, § 1 WER met de woorden: “Teneinde eerlijke marktpraktijken te verzekeren tussen ondernemingen”. De wetgever wilde daarmee duidelijk maken dat de regel volgens hem bedoeld was om eerlijke concurrentie tussen ondernemingen te waarborgen.
Die toevoeging was geen detail. Zij kwam er na eerdere kritiek op de verenigbaarheid van de Belgische soldenregeling met het Europese recht. Door uitdrukkelijk te stellen dat de regeling de verhouding tussen ondernemingen beoogt te regelen, hoopte de wetgever de bepaling buiten het toepassingsgebied van de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken te houden.
Europese richtlijn
De Richtlijn 2005/29/EG betreffende oneerlijke handelspraktijken regelt hoe ondernemingen zich tegenover consumenten mogen gedragen. Zij beoogt een verregaande harmonisatie binnen de Europese Unie. Lidstaten mogen dus in principe geen strengere nationale regels opleggen voor handelspraktijken tegenover consumenten dan wat de richtlijn toelaat.
Regels die uitsluitend de verhouding tussen ondernemingen regelen, vallen daarentegen buiten die richtlijn. Precies daarom had de Belgische wetgever in artikel VI.25 WER benadrukt dat de soldenregel zou dienen om eerlijke marktpraktijken tussen ondernemingen te verzekeren.
Dat onderscheid is belangrijk. Een algemeen verbod op het gebruik van de term “solden” buiten vaste periodes komt niet voor in de geharmoniseerde regeling van de richtlijn. Wanneer zo’n verbod ook consumentenbescherming beoogt, is er dus een probleem met het Europese recht.
Waarom de Raad van State daar niet in meegaat
Het zwaartepunt van de drie arresten ligt bij de vraag of de formele doelstelling in de wettekst doorslaggevend is. De Belgische Staat verdedigde een strikte lezing: omdat artikel VI.25 WER zegt dat het gaat om eerlijke marktpraktijken tussen ondernemingen, zou de bepaling buiten de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken vallen.
De Raad van State volgt die redenering niet. Een rechter moet nagaan wat het werkelijke doel van een bepaling is. Het volstaat niet dat de wetgever een regel formeel als een B2B-regel omschrijft. Anders zou een lidstaat een consumentenbeschermende regel eenvoudig aan het Europese recht kunnen onttrekken door er een ander label op te plakken.
Om het werkelijke doel van artikel VI.25 WER te beoordelen, kijkt de Raad van State naar verschillende elementen: de algemene context van de wetgeving, de aard van de maatregel, de ontstaansgeschiedenis, de parlementaire voorbereiding, de rechtspraak en de rechtsleer.
Eerste criterium (aard van de regel)
Solden zijn naar hun aard gericht op consumenten. De term “solden” wekt bij consumenten de verwachting van tijdelijke, reële en aanzienlijke prijsverminderingen. Het gebruik van die benaming beïnvloedt dus rechtstreeks hun aankoopgedrag.
Dat de wetgever het gebruik van het woord enkel toelaat binnen bepaalde periodes, heeft daarom niet alleen gevolgen voor concurrenten. Het raakt ook aan de informatie en verwachtingen van consumenten.
Tweede en derde criterium (voorgeschiedenis en parlementaire voorbereiding)
De huidige regeling verschilt inhoudelijk nauwelijks van oudere regelingen over soldenverkoop. In die vroegere regelgeving werd de bescherming van de consument wél uitdrukkelijk als doelstelling vermeld.
Volgens de Raad van State kan de wetgever die historische context niet volledig neutraliseren door later enkel een andere doelstelling in de wettekst op te nemen. De feitelijke werking van de regeling blijft mee bepalend.
Vierde criterium (rechtspraak)
Ook eerdere Belgische en Europese rechtspraak speelde een rol. Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelde eerder al dat nationale regels onder de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken kunnen vallen zodra zij, al is het onrechtstreeks, consumentenbelangen beschermen.
Het Hof van Cassatie heeft in eerdere arresten dezelfde lijn gevolgd voor vergelijkbare regels. De nationale rechter mag dus onderzoeken of een bepaling werkelijk uitsluitend ondernemingen beschermt, of ook consumenten.
Vijfde criterium (rechtsleer)
Tot slot verwijst de Raad van State naar de rechtsleer. Daarin bestaat al geruime tijd kritiek op de verenigbaarheid van de Belgische soldenregeling met de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken.
De conclusie ligt dan ook voor de hand. Omdat artikel VI.25 WER niet uitsluitend de belangen van concurrenten beschermt, maar ook een consumentenbeschermend oogmerk heeft, valt de bepaling onder de Europese richtlijn. Aangezien die richtlijn geen dergelijk algemeen verbod op het gebruik van de term “solden” toelaat, is artikel VI.25 WER strijdig met het Europese recht.
De Raad van State laat de bepaling daarom buiten toepassing. Daardoor ontbreekt een wettige rechtsgrond voor de boetebesluiten en worden de boetes vernietigd.
Wat betekent dit nu concreet?
Voor de betrokken modegroep is het gevolg duidelijk: de drie boetes (samen ruim 73.000 euro) vervallen en de overheid draait op voor de proceskosten..
Voor de handhaving is de impact groter. De Raad van State heeft niet alleen de drie boetebesluiten vernietigd. Hij heeft ook geoordeeld dat artikel VI.25 WER, in zoverre het een algemeen verbod oplegt op het gebruik van de term “solden” buiten de wettelijke periodes, niet kan worden toegepast wegens strijdigheid met het Unierecht.
Dat betekent niet dat de wettekst automatisch uit het Wetboek van economisch recht verdwijnt. Formeel blijft artikel VI.25 WER bestaan zolang de wetgever niet ingrijpt. Maar zolang de bepaling ongewijzigd blijft, loopt elke nieuwe boete op dezelfde grond een ernstig risico om te worden vernietigd.
Belangrijk is ook wat de arresten niet zeggen. De uitspraak betekent niet dat elke kortingsactie voortaan zonder beperking mogelijk is. Wat sneuvelt, is specifiek het algemene verbod op het gebruik van de benaming “solden” buiten de vaste periodes.
Andere regels over consumentenbescherming blijven wel gelden. Ondernemingen moeten kortingen correct aankondigen. De vroegere prijs moet kloppen en misleidende of agressieve handelspraktijken blijven verboden. Een verkoopactie buiten het seizoen “solden” noemen, is dus niet langer vanzelf sanctioneerbaar op basis van artikel VI.25 WER. Een korting die een vals voordeel suggereert, kan nog altijd verboden zijn omdat zij misleidend is.
Conclusie: een lang aangekondigd keerpunt
Helemaal verrassend zijn deze uitspraken niet. De verenigbaarheid van de Belgische soldenregeling met de Richtlijn oneerlijke handelspraktijken stond al langer ter discussie.
Eerdere rechtspraak over onder meer sperperiodes en aankondigingen van prijsverminderingen had al duidelijk gemaakt dat de werkelijke doelstelling van een nationale regel doorslaggevend is. De Raad van State past die redenering nu toe op artikel VI.25 WER zelf.
Daarmee doorprikt de Raad van State de techniek waarmee de wetgever de bepaling buiten het toepassingsgebied van de Europese richtlijn wilde houden. De formele verwijzing naar “eerlijke marktpraktijken tussen ondernemingen” volstaat niet wanneer de regel in werkelijkheid ook consumenten beschermt.
De arresten van 20 mei 2026 vormen daardoor een belangrijk keerpunt voor de Belgische soldenregeling. Het is nu aan de wetgever om duidelijkheid te scheppen en de Belgische regels in overeenstemming te brengen met het Europese kader.
Bron: aternio
» Bekijk alle artikels: Handel & Consument












