Renteloos afbetalingsplan tussen Hogeschool en studente : quid consumentenbescherming? Hof van Justitie 17 mei 2018 (LegalNews.be)

Auteur: LegalNews.be

Publicatiedatum: 22/05/2018

Wat waren de feiten?

Op 3 februari 2014 was X, toenmalig studente aan de Karel de Grote Hogeschool (hierna KdG), deze laatste een totaalsom van €1.546 EUR verschuldigd als inschrijvingsgeld voor de studiejaren 2012/2013 en 2013/2014 en als bijdrage voor een studiereis.

Aangezien X niet in staat was haar schuld in één betaling te voldoen, zijn de belanghebbende en de dienst Studievoorzieningen van KdG schriftelijk een renteloos afbetalingsplan overeengekomen. Volgens deze overeenkomst diende KdG X het bedrag voor te schieten dat zij nodig had om haar schuld jegens KdG te betalen, en diende de belanghebbende op haar beurt met ingang van 25 februari 2014 gedurende zeven maanden maandelijks €200 terug te betalen aan KdG. Ook werd overeengekomen dat het schuldsaldo van €146 uiterlijk op 25 september 2014 zou worden betaald.

Verder bevatte de overeenkomst het hiernavolgende beding in geval van niet-betaling:
„Wanneer de ontleende som (geheel of gedeeltelijk) niet tijdig wordt terugbetaald, is van rechtswege en zonder ingebrekestelling een interest verschuldigd van 10% per jaar, berekend op de uitstaande schuld en dit vanaf de dag na de niet-nagekomen vervaldag. Ook is dan een schadeloosstelling tot dekking van de invorderingskosten verschuldigd, conventioneel bepaald op 10 % van de uitstaande schuld met een minimum van €100.”

Ondanks het feit dat X een aanmaningsbrief heeft ontvangen van KdG, heeft zij verzuimd te betalen.

Op 27 november 2015 heeft KdG X voor het vredegerecht te Antwerpen gedaagd om haar te doen veroordelen tot betaling van de verschuldigde hoofdsom van €1.546, vermeerderd met achterstandsrente van 10% vanaf 25 februari 2014, te weten €269,81 en van een kostenvergoeding van €154,60. X is niet verschenen en heeft zich niet laten vertegenwoordigen voor die rechterlijke instantie.

Welke vragen stelde zich de rechter?

Bij tussenvonnis van 4 februari 2016 heeft de verwijzende rechter de hoofdsom toegekend aan KdG. Wat betreft de eveneens gevorderde rente en de kostenvergoeding heeft de verwijzende rechter de voortzetting van de procedure bevolen en KdG uitgenodigd om opmerkingen in te dienen over het eventueel voorleggen van een prejudiciële vraag aan het Hof.

De verwijzende rechter verklaart dat hij, aangezien X verstek heeft laten gaan, volgens artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek gehouden is de vordering van KdG toe te wijzen behalve indien die rechtspleging of die vordering strijdig zou zijn met de openbare orde.

In dit verband vraagt de verwijzende rechter zich in de eerste plaats af of hij in een verstekprocedure ambtshalve mag nagaan of de overeenkomst waarop de vordering van KdG gebaseerd is, binnen de werkingssfeer van de nationale wetgeving tot omzetting van richtlijn 93/13 valt. Het is namelijk niet zeker of de regelgeving op de onrechtmatige bedingen in België van openbare orde is. Voor zover de nationale procedurevoorschriften zich verzetten tegen een dergelijk ambtshalve onderzoek, heeft de verwijzende rechter twijfels over de verenigbaarheid van deze regels met die richtlijn.

De verwijzende rechter vraagt zich in de tweede plaats af of de overeenkomst tussen KdG en X binnen de werkingssfeer van de nationale regelgeving op de onrechtmatige bedingen valt. In dit kader betwijfelt de verwijzende rechter of deze regelgeving verenigbaar is met richtlijn 93/13, aangezien die regelgeving volgens de bewoordingen ervan niet geldt voor overeenkomsten tussen een consument en een „verkoper” maar wel voor die tussen een consument en een „onderneming”. Die rechter vraagt zich hoe dan ook af of een onderwijsinstelling als KdG, die voornamelijk met overheidsmiddelen wordt gefinancierd, als „onderneming” en/of „verkoper” moet worden beschouwd wanneer die aan een student een afbetalingsplan van het type als in het hoofdgeding toestaat.

Welke waren de prejudiciële vragen?

Het vredegerecht te Antwerpen heeft de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

1) Is de nationale rechter, wanneer bij hem tegen een consument een vordering is ingesteld over de uitvoering van een overeenkomst en hij op grond van de nationale regels van procesrecht enkel bevoegd is ambtshalve na te gaan of de vordering in strijd is met nationale regels van openbare orde, op dezelfde wijze bevoegd om ambtshalve, zelfs bij verstek, na te gaan en vast te stellen dat de betrokken overeenkomst binnen de werkingssfeer van [richtlijn 93/13] valt zoals geïmplementeerd in het Belgisch recht?

2) Is een vrije onderwijsinstelling die gesubsidieerd onderwijs verstrekt aan een consument bij de overeenkomst van het verstrekken van dit onderwijs tegen betaling van een inschrijvingsgeld eventueel te vermeerderen met bedragen ter terugbetaling van de door de onderwijsinstelling gemaakte kosten te beschouwen als een onderneming in de zin van het Europees recht?

3) Valt een overeenkomst tussen een consument en een vrije gesubsidieerde onderwijsinstelling die verband houdt met het verstrekken van gesubsidieerd onderwijs door deze instelling onder de werking van [richtlijn 93/13] en is een vrije onderwijsinstelling die gesubsidieerd onderwijs verstrekt aan een consument bij de overeenkomst van het verstrekken van dit onderwijs te beschouwen als een verkoper in de zin van de richtlijn?”

Wat heeft het Hof van Justitie beslist?

1) Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moet aldus worden uitgelegd dat een nationale rechter die uitspraak doet bij verstek en die op grond van de nationale procedureregels bevoegd is ambtshalve na te gaan of het beding waarop de vordering steunt in strijd is met de nationale regels van openbare orde, gehouden is ambtshalve na te gaan of de overeenkomst waarin dat beding is opgenomen binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt en, in voorkomend geval, of dat beding eventueel oneerlijk is.

2) Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties, moet artikel 2, onder c), van richtlijn 93/13 aldus worden uitgelegd dat een vrije onderwijsinstelling, zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding, die met een van haar studenten contractueel betalingsfaciliteiten is overeengekomen voor bepaalde bedragen die deze studente verschuldigd is uit hoofde van inschrijvingsgeld en een bijdrage voor een studiereis, met betrekking tot deze overeenkomst als een „verkoper” in de zin van die bepaling moet worden aangemerkt, zodat de betrokken overeenkomst binnen de werkingssfeer van die richtlijn valt.

Lees hier het arrest van het Hof van Justitie van 17 mei 2018