Handelsagentuur-overeenkomsten : een overzicht na de wet van 16 februari 2022

Webinar on demand

Het nieuwe verbintenissenrecht

Webinar on demand

De koop anno 2021 and beyond – Inclusief publicatie

Webinar on demand

Consumentenrecht anno 2022

Webinar on demand

Cryptomunten: recente ontwikkelingen

Webinar op 20 mei 2022

De nietigheid naar huidig en toekomstig verbintenissenrecht

Webinar op 16 juni 2022

Meer slagkracht voor landbouwers met nieuwe B2Boer-wet (Crivits & Persyn)

Auteurs: Frede Van In en Astrid Lescouhier (Crivits & Persyn)

De langverwachte regeling over oneerlijke handelspraktijken in de voedselvoorzieningsketen werd bij wet van 28 november 2021 in het Wetboek Economisch Recht ingeschreven en is sinds 25 december 2021 van toepassing. Deze regeling wil de leveranciers van voedings- en landbouwproducten, in het bijzonder de landbouwers, beschermen tegen oneerlijke praktijken als gevolg van een asymmetrie in de onderhandelingsmacht tussen landbouwers en hun afnemers. Ze is er gekomen in uitvoering van een Europese richtlijn.

Zo’n vijftien praktijken worden aan banden gelegd, opgedeeld in een ‘zwarte’ en een ‘grijze’ lijst. Bijzondere aandacht gaat naar de handhaving door de Economische Inspectie en de mogelijkheid voor landbouwers om anoniem klacht in te dienen. Ook representatieve beroepsorganisaties kunnen klacht indienen.

De bestaande regelingen over B2B-marktpraktijken (als vanouds) en B2B-bedingen (sinds 2019) zijn hierbovenop van toepassing. Ook de Wet Betalingsachterstand Handelstransacties van 2 augustus 2002 blijft van toepassing.

In welke gevallen is de regeling van toepassing?

De regeling is van toepassing bij de verkoop van voedings- en landbouwproducten, door leveranciers van wie de jaarlijkse omzet niet hoger is dan 350 miljoen euro. De afnemer wordt beschouwd als de economisch sterkere partij. Dit kan een natuurlijke persoon, een rechtspersoon of een overheidsinstantie zijn. Leveranciers met een omzet boven 350 miljoen euro worden niet geacht economisch zwakker te zijn en vallen dus buiten het bestek.

De regeling is van toepassing zodra de leverancier of de afnemer in België gevestigd is. Dit is belangrijk om oneerlijke concurrentie tegen te gaan.

Negen ‘zwarte’ praktijken

Negen bepalingen bieden bescherming tegen marktpraktijken die altijd verboden zijn:

1. Betaling binnen dertig dagen – De afnemer moet de leverancier betalen binnen dertig dagen na levering, of na bepaling van het te betalen bedrag als die datum later valt. Als het de afnemer is die het te betalen bedrag vaststelt, geldt sowieso betaling binnen dertig dagen na levering. Deze betaaltermijn heeft geen invloed op waardeverdelingclausules (waarbij partijen de ontwikkelingen van marktprijzen in rekening kunnen brengen) en uitzondering geldt ook voor de schoolregeling, erkende gezondheidsorganisaties en voor de verkoop van druiven of most voor wijnbereiding

2. Tijdige annulering – De annulering van een bestelling van landbouw- en voedingsproducten moet gebeuren binnen een redelijke termijn, zodat de leverancier redelijkerwijs nog een alternatief kan vinden voor de afzet van zijn producten. Een termijn van minder dan dertig dagen voor de leveringsdatum wordt als te kort beschouwd. Er kan uitzondering gemaakt worden voor bepaalde sectoren bij Koninklijk Besluit.

3. Geen eenzijdige wijziging van voorwaarden – Een afnemer mag (zich) niet (het recht voorbehouden om) de voorwaarden die verband houden met de levering van producten (frequentie, methode, plaats, timing, volume), de kwaliteitsnormen, de betalingsvoorwaarden of de prijzen eenzijdig (te) wijzigen. Hij mag ook de voorwaarden voor diensten als reclame of marketing niet eenzijdig wijzigen. Volgens de parlementaire voorbereiding zou het daarentegen wel mogelijk zijn voorde afnemer om een concreet element in verband met toekomstige bestellingen in een later stadium nader te bepalen (bijvoorbeeld de bestelde hoeveelheid), als dat vooraf duidelijk en ondubbelzinnig in de overeenkomst bedongen is.

4. Geen aanrekening van kosten buiten de verkooptransactie – Soms levert de afnemer diensten onder de vorm van opname in het assortiment, marketing en promotieacties voor het product van de leverancier, waar een vergoeding tegenover mag staan. Wanneer de afnemer echter betaling vraagt voor zaken die geen (rechtstreeks) verband houden met een verkooptransactie, wordt dit als oneerlijk beschouwd. Een voorbeeld volgens de parlementaire voorbereiding is wanneer de leverancier vraagt om bij te dragen in de kosten voor het openen van een nieuw filiaal van de afnemer.

5. Geen afwenteling van kosten voor bederf of verlies – Een afnemer mag de leverancier niet vragen om te betalen voor bederf of verlies dat zich voordoet wanneer de producten al bij de afnemer zijn of nadat de eigendom is overgedragen, tenzij er sprake is van een concrete fout of nalatigheid door de leverancier.

6. Schriftelijke bevestiging van de overeengekomen voorwaarden – Verba volent, scripta manent: oneerlijke praktijken gebeuren sneller als de afspraken niet schriftelijk zijn vastgelegd. Daarom moet de afnemer de voorwaarden van de overeenkomst met de leverancier schriftelijk bevestigen als de leverancier daarom vraagt.

7. Bescherming van bedrijfsgeheim – De afnemer mag bedrijfsgeheimen van de leverancier niet onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken.

8. Geen commerciële vergelding bij de uitoefening van rechten – De afnemer mag geen commerciële vergeldingsmaatregelen treffen – bijvoorbeeld bestellingen stoppen of verminderen, of niet langer marketing- of promotionele diensten verlenen – als de leverancier zijn contractuele of wettelijke rechten uitoefent (waaronder klacht indienen bij of meewerken aan een onderzoek van de Economische Inspectie).

9. Geen bijdrage in klachten van eindklanten – Er mogen de leverancier geen kosten aangerekend worden voor het onderzoeken van klachten van eindklanten in verband met de producten als hij niet in fout is.

Zes ‘grijze’ praktijken

De grijze lijst viseert gevallen waarin kosten die normaal gezien ten laste van de afnemer vallen contractueel bij de leverancier gelegd worden. Zo’n verschuiving wordt als oneerlijk beschouwd, tenzij ze vooraf duidelijk en ondubbelzinnig overeengekomen is.

De achterliggende gedachte is dat als de leverancier de nodige keuze- en handelsvrijheid behoudt bij zijn beslissing om bij te dragen in deze kosten, het geen oneerlijke praktijk is. Essentieel daarbij is dat de leverancier op voorhand moet kunnen weten om welke bedragen het gaat. Daarom moet de afnemer op vraag van de leverancier een schriftelijke raming geven van het bedrag en van de elementen waarop die raming is gebaseerd.

Het vermoeden dat er sprake is van een oneerlijke praktijk kan hier dus weerlegd worden. De bewijslast rust altijd op de afnemer.

1. Geen gratis retour – De praktijk waarbij de leverancier moet instaan voor de terugname of zelfs de verwijderingskost van onverkochte producten, wordt principieel beschouwd als een oneerlijke toewijzing van risico.

2. Geen vergoeding voor opslag, uitstalling en tekoopstelling – Het is aan de afnemer om de producten te marketen. Hiervoor een vergoeding vragen aan de leverancier (slotting allowances, pay to stay fees …keert dit principe om en wordt dan ook principieel als oneerlijk beschouwd.

3. (Mede)financiering van kortingspromotie enkel bij gezamenlijk opgezette actie – Kortingen in het kader van een promotieactie van producten die de afnemer verkoopt, mogen in principe niet ten laste gelegd worden van de leverancier, tenzij indien de afnemer de duur en verwachte hoeveelheid vooraf specificeert en aan de leverancier een schriftelijke raming bezorgt van het door de leverancier te dragen bedrag en de leverancier daarmee uitdrukkelijk akkoord gaat. Hier geldt dus niet louter een informatieverplichting; maar moet de afnemer kunnen aantonen dat de leverancier actief akkoord ging.

4. en 5. Geen vergoeding voor reclame ­­en marketing – Ook het vragen van een algemene bijdrage voor reclame- of marketingkosten voor het product kan als een oneerlijke overdracht van commercieel risico worden bestempeld. Het behoort normaliter niet aan de leverancier om in te staan voor de reclame of marketing die de afnemer voert.

6. Geen bijdrage voor personeel in het verkooppunt – Een vaak gerapporteerde praktijk is tot slot dat leveranciers soms moeten bijdragen in de kosten van het personeel dat tewerkgesteld wordt in verkooppunten waar hun producten worden aangeboden. Ook dit is een kost die logischerwijs op de afnemer valt en in principe niet afgewenteld mag worden op de leverancier.

Wat zijn de sancties?

Contractuele bedingen die oneerlijke marktpraktijken tussen een afnemer en een leverancier tot gevolg hebben, zijn verboden en nietig. De afnemer kan ze dus niet afdwingen.

Verder kan, net zoals voor andere inbreuken op het Wetboek Economisch Recht, een vordering tot staking ingesteld worden bij de voorzitter van de ondernemingsrechtbank.

Inbreuken worden ook strafrechtelijk gesanctioneerd, met een geldboete van 26 tot 10.000 euro (te vermeerderen met de opdeciemen).

De Economische Inspectie is, naast de gewone politiediensten, bevoegd om inbreuken op te sporen en vast te stellen. Zij kan handelen op eigen initiatief of na een klacht. Zowel een rechtstreeks benadeelde leverancier als een representatieve beroepsorganisatie kan klacht indienen. Daarbij is het mogelijk om de identiteit van de klager of andere gevoelige informatie af te schermen bij het voeren van het onderzoek. Die anonimiteit is essentieel omdat leveranciers vaak vrezen hun leveringsovereenkomst te verliezen.

Er is ten slotte voorzien dat de naam van afnemers die inbreuken plegen, bekend gemaakt kan worden op de website van de FOD Economie.

Overgangsperiode

De wet is van toepassing vanaf 25 december 2021.

Voor bestaande overeenkomsten geldt een overgangsperiode van één jaar.

Bron: Crivits & Persyn