Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?

Overweeg dan zeker ons jaarabonnement 

 

Krijg toegang tot +250 opleidingen

Live & on demand webinars

Met tussenkomst van de kmo-portefeuille


Buitencontractuele aansprakelijkheidsregelingen:
een kritische benadering na de
invoering van Boek 6 BW

Prof. dr. Britt Weyts (UAntwerpen)

Webinar op vrijdag 5 juni 2026


Verzekeringspolissen:
clausules die aanleiding kunnen geven tot discussies

Mr. Sandra Lodewijckx (Lydian)

Webinar op vrijdag 25 september 2026


Mededingingsrecht:
recente ontwikkelingen

Mr. Melissa Van Schoorisse (Covington)

Webinar op vrijdag 25 september 2026


Digitale fraude:
bancaire en juridische aandachtspunten

Mr. Stijn De Meulenaer (Everest Advocaten)

Webinar op donderdag 2 juli 2026


Wet Breyne: de laatste ontwikkelingen
in (komende) wetgeving en rechtspraak

Prof. dr. Kristof Uytterhoeven

(Caluwaerts Uytterhoeven)

Webinar op dinsdag 26 mei 2026

Is uw contractueel schadebeding reeds in overeenstemming met de regels van het economisch recht? (Caluwaerts Uytterhoeven)

Auteurs: Ruben Engelborghs en Stéphanie Schepens (Caluwaerts Uytterhoeven)

Met de wet van 4 mei 2023 heeft de wetgever Boek XIX “Schulden van de consument” ingevoegd in het Wetboek van Economisch Recht (hierna het “WER”). Deze regeling beoogt een betere bescherming van consumenten met betalingsachterstand tegenover ondernemingen. Als onderneming is het niet enkel van belang deze dwingende regels na te leven bij de minnelijke invordering van openstaande facturen, maar ook de (algemene) contractuele voorwaarden in overeenstemming te brengen met de regels van Boek XIX WER.

Een jaar na de volledige inwerkingtreding van deze wet stellen we vast dat nog steeds veel contracten en algemene voorwaarden niet conform zijn aan deze nieuwe spelregels. Omdat de risico’s aanzienlijk kunnen zijn wanneer clausules afwijken, zetten we de belangrijkste regels en rechtsgevolgen nog eens op een rijtje.

1. De kosteloze betalingsherinnering (XIX.2 WER)

Wanneer een consument zijn schuld niet betaalt op de vervaldatum, dan kan de consument op grond van een contractueel schadebeding slechts nalatigheidsinteresten of een forfaitaire schadevergoeding verschuldigd zijn indien er verschillende stappen zijn doorlopen.

In de eerste plaats zal er een ingebrekestelling die de vorm aanneemt van een eerste herinnering naar de consument moeten worden verzonden. Belangrijk hierbij is dat de betalingsherinnering die aan de consument verzonden wordt, kosteloos moet zijn en inhoudelijk aan de voorwaarden van artikel XIX.2, §3 WER dient te beantwoorden.

Na de verzending van de kosteloze betalingsherinnering zal er een wachttermijn van 14 kalenderdagen beginnen lopen. Betaalt de consument alsnog binnen de wachttermijn, dan zal er geen schadevergoeding verschuldigd zijn. Betaalt de consument niet binnen die wachttermijn, dan zullen in principe nalatigheidsinteresten verschuldigd zijn vanaf de dag die volgt op het verstrijken van deze wachttermijn.

2. Begrenzing van bedragen (XIX.4 WER)

Artikel XIX.4 WER begrenst daarnaast de schadevergoedingen die bedongen en gevorderd kunnen worden van de consument die een betalingsachterstand heeft opgelopen en die niet heeft betaald binnen de wachttermijn van 14 kalenderdagen na verzending van de hierboven vermelde verzending van een betalingsherinnering.

2.1 Nalatigheidsintresten

De wetgever heeft er in die optiek in de eerste plaats voor gekozen om de maximale nalatigheidsinterest te beperken door te verwijzen naar artikel 5, lid 2 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties (hierna de “Wet Betalingsachterstand”). Dit is des te opvallender omdat de interestvoet uit de Wet Betalingsachterstand (10,5% voor het tweede semester van 2025), de zogenaamde “superinterestvoet”, normalerwijze enkel toepassing vindt tussen ondernemingen en aanzienlijk hoger ligt dan de wettelijke interestvoet, die voor 2025 beperkt blijft tot 4,5%.

Indien partijen geen beding opnemen met betrekking tot de nalatigheidsinterestvoet geldt telkens de gewone wettelijke interestvoet.

2.2 Forfaitaire schadevergoedingen

Naast de beperking van de nalatigheidsinteresten heeft de wetgever ervoor gekozen om ook de forfaitaire schadevergoeding (schadebedingen) te begrenzen.

Concreet betekent dit dat een contractueel bedongen schadevergoeding niet hoger mag zijn dan:

  • 20 EUR, als het verschuldigd saldo lager is of gelijk aan 150 EUR;

  • 30 EUR vermeerderd met 10% van het verschuldigde bedrag op de schijf tussen 150,01 en 500 EUR, indien het verschuldigde saldo tussen 150,01 en 500 EUR ligt.

  • 65 EUR vermeerderd met 5% van het verschuldigde bedrag op de schijf boven de 500,01 EUR met een maximum van 2000 EUR als het verschuldigde saldo hoger is dan 500 EUR

3. Wederkerigheids- en gelijkwaardigheidsvereiste

Hoewel artikel XIX.4 WER de krijtlijnen uiteenzet voor wat betreft de toelaatbaarheid van het schadebeding, blijft de wederkerigheids- en gelijkwaardigheidsvereiste uit artikel VI.83, 17° WER onverkort gelden. Deze bepaling lag in het verleden aan de basis van talloze vernietigingen van schadebedingen en behoudt binnen het nieuwe wettelijke kader een doorslaggevende betekenis.

De regel is eenvoudig maar heeft op juridisch vlak verstrekkende gevolgen: een onderneming die een forfaitaire schadevergoeding oplegt aan de consument bij niet-tijdige betaling, moet in spiegelbeeld ook een gelijkwaardige compensatie voorzien wanneer zij zelf haar contractuele verplichtingen zou schenden. Een schadebeding dat uitsluitend in het voordeel van de onderneming werkt, zal telkens een onrechtmatig beding uitmaken in de B2C-relatie.

4. Wat is de sanctie?

4.1 Schending van art. XIX. 2 WER

Artikel XIX. 2 WER is van dwingend recht, wat betekent dat contractuele clausules die afwijken van de vormvereisten verboden en nietig zijn.

Dit geldt met name voor:

  • De verplichte kosteloze eerste betalingsherinnering, en,

  • Het verbod om interesten of schadebedingen aan te rekenen voor het verstrijken van de wachttermijn van 14 kalenderdagen.

Clausules die wel onmiddellijk nalatigheidsinteresten of boetes laten lopen vanaf de vervaldatum van de factuur – tot voor kort zeer gebruikelijk in B2C-overeenkomsten –  zijn daardoor niet langer toegestaan en automatisch nietig.

Naast de nietigheid voorziet het WER ook in privaatrechtelijke sancties. Bij schending van artikel XIX. 2 WER wordt de consument van rechtswege bevrijd van elke contractuele schadevergoeding (art. XIX. 15 WER). Bovendien kan de rechter bijkomend beslissen dat de reeds betaalde bedragen moeten worden teruggestort.

Het gevolg is dan ook aanzienlijk: wie de wettelijke formaliteiten of inhoudelijke vereisten niet nauwgezet naleeft, verliest niet alleen het recht op schadevergoeding, maar riskeert ook dat de reeds ontvangen bedragen moeten worden terugbetaald.

4.2 Schending van art. XIX. 4 WER

Wanneer een schadebeding daarnaast de grenzen van artikel XIX.4 WER overschrijdt, wordt de clausule verboden en voor niet geschreven gehouden. De consument is in dat geval van rechtswege bevrijd van de betaling van het schadebeding. Een rechter beschikt daarbij niet over de mogelijkheid om het beding te matigen of te herlezen binnen de wettelijk toegelaten grenzen van artikel XIX. 4 WER.

De bijkomende vraag die zich opdringt, is of een onderneming, na vernietiging van het schadebeding, alsnog een schadevergoeding kan eisen op basis van het gemene recht. Het antwoord hierop is verschillend naargelang de ernst van de schending.

Indien de overschrijding dermate ernstig is dat men tot de conclusie komt dat er sprake is van een kennelijk onevenwicht in de zin van de Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten omgezet in artikel VI.83, 24° WER, kan de onderneming geen schadevergoeding meer vorderen op grond van het gemene recht. Sterker nog, de volledige schadevergoedingsregeling uit de contractuele relatie zal wegvallen, zelfs wanneer bepaalde delen (schadebeding of nalatigheidsinteresten) op zichzelf wel binnen de wettelijke grenzen blijven.

Maakt de overschrijding géén kennelijk onevenwicht uit, kan de onderneming wel nog terugvallen op artikel 5.240 BW. In dat geval maakt de onderneming aanspraak op de nalatigheidsinteresten aan de wettelijke interestvoet, evenals een vergoeding voor de bewezen buitengerechtelijke invorderingskosten. Weliswaar dient genuanceerd te worden dat de regels uit Boek XIX WER in praktijk vaak zullen worden gehanteerd als maatstaf voor de beoordeling van het kennelijk onevenwicht uit artikel VI. 83, 24° WER. Het valt te verwachten dat in het merendeel van de gevallen het niet naleven van de bepalingen uit Boek XIX WER zal worden beschouwd als een kennelijk onevenwicht in de zin van artikel VI. 83, 24° WER.

5. Besluit

Ondernemingen lopen aanzienlijke risico’s wanneer schadebedingen niet stroken met Boek XIX van het WER. Een onzorgvuldige clausule kan leiden tot volledige nietigheid van uw schadevergoedingsregeling, zonder terugvalmogelijkheid op het gemene recht. Dit betekent dat u bij wanbetaling geen enkele vergoeding kunt vorderen en zelfs reeds ontvangen bedragen moet terugbetalen.

Bron: Caluwaerts Uytterhoeven

» Bekijk alle artikels: Handel & Consument, Verbintenissen & Goederen

Boeken in de kijker: