Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?
Overweeg dan zeker onze voordeelformules!
Krijg toegang tot +250 opleidingen
Live & on demand webinars
Met tussenkomst van de kmo-portefeuille
Generatieve AI
in de juridische praktijk
Dr. Wim De Mulder (KU Leuven)
Webinar op donderdag 25 februari 2027
Mededingingsrecht:
recente ontwikkelingen
Mr. Melissa Van Schoorisse (Covington)
Webinar op vrijdag 25 september 2026
Is liegen bij een kredietaanvraag valsheid in geschrifte? Cass. 2 juni 2026 (Recht op zaterdag)
Auteur: Marc Vandecasteele (Recht op zaterdag)
Het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 22 januari 2026
Het arrest oordeelt onder meer als volgt:
- M.K. voert aan dat hij ten tijde van de kredietaanvraag in november 2014 een loon ontving van B. bv en verwijst daarvoor naar vijf overschrijvingen van een bankrekening van B. bv naar een bankrekening van M.K. bij de bank;
- deze overschrijvingen gebeurden van 8 juli 2014 tot en met 14 november 2014 voor bedragen die variëren van 1.345,64 euro tot 1.981,45 euro, met een referte die telkens verwees naar ‘loon’ en naar de kalendermaand voorafgaand aan de maand waarin de respectieve overschrijving gebeurde;
- M.K. verwijst hoofdzakelijk naar een mogelijke controle door de bank van de vijf inkomende overschrijvingen aangezien deze op een rekening van de bank werden gestort. Andere concrete controlemogelijkheden worden niet aangehaald door M.K. en kunnen niet worden vastgesteld op basis van de stukken van het strafdossier;
- M.K. verwijst slechts naar zeer beperkte overschrijvingen die zouden onderbouwen dat er daadwerkelijk betalingen van loon zouden zijn gebeurd sinds 14 februari 2011. M.K. voert ook aan dat de bank deze betalingen zelf kon nakijken omdat de overschrijvingen gebeurden naar een rekening van M.K. bij de bank. Dit brengt evenwel geenszins met zich mee dat de bank niet erop mocht vertrouwen dat voordien reeds op regelmatige basis betalingen gebeurden van loon vanuit B. bv, in het bijzonder gelet op de vermelding dat deze betalingen reeds zouden zijn gebeurd vanaf 1 februari 2011. Het bestaan van jarenlange regelmatige inkomsten zoals voorgehouden in de kredietaanvraag kon de bank niet nakijken. Dat de bank specifiek niet heeft opgemerkt dat de vennootschap pas op 4 september 2012 werd opgericht, doet daaraan geen afbreuk;
- mede gelet op de vaststelling dat M.K. zelf de vennootschap oprichtte die hem loon betaalde, hield de vermelding van het reeds jarenlang ontvangen van een loon ook in dat M.K. een stabiele inkomstenstroom genoot van een vennootschap die zelf ook reeds geruime tijd de nodige inkomsten genereerde om dit loon te betalen;
- M.K. ontving slechts zeer beperkte betalingen van de door hem gecontroleerde vennootschap B. bv, die hij niet in enige aangifte in de personenbelasting vermeldde en waarvoor de vennootschap waarvan hij hoofdaandeelhouder was geen Dimona-aangifte deed. De vermelding in de door M.K. ondertekende kredietaanvraag van een tewerkstelling vormt dan ook een waarheidsvermomming. De kredietaanvraag betreft een door de strafwet beschermd handels- of privaat geschrift in de zin van artikel 196 Strafwetboek. Dat geschrift dringt zich op aan het openbaar vertrouwen daar het bewijswaarde geniet;
- M.K. handelde manifest met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden. Hij had de bedoeling om voor zichzelf of een ander een onrechtmatig voordeel te verschaffen en de aan M.K. ten laste gelegde feiten zijn bewezen.
De visie van het Hof van Cassatie
Het middel voert schending aan van de artikelen 43bis, 193, 196, 214 en 496 Strafwetboek: het arrest veroordeelt M.K. ten onrechte wegens de telastleggingen A.1.a (valsheid in geschriften en gebruik van een vals stuk) en B.1 (oplichting door het gebruik van het vals stuk); de van valsheid betichte vermeldingen in de kredietaanvraag van M.K. bestaan erin dat hij opgave heeft gedaan van een tewerkstelling bij B. bv sinds 1 februari 2011 met bijhorend inkomen van 1.749,59 euro per maand, terwijl B. bv voor M.K. geen Dimona-aangiften heeft ingediend en pas werd opgericht op 4 september 2012.
In zijn appelconclusie heeft M.K. aangevoerd dat die vermeldingen zich niet aan het openbaar vertrouwen opdrongen omdat zij bestemd waren om door de bank te worden gecontroleerd en zij door de bank ook effectief zijn gecontroleerd; een loutere vermelding in een kredietaanvraag van het bestaan van een activiteit waaruit een inkomen wordt vergaard, alsook van de herkomst en de duur van die activiteit, dringt zich niet op aan het openbaar vertrouwen; de inhoud van een kredietaanvraag is immers bestemd om te worden gecontroleerd door de kredietverstrekker; één van de meest essentiële onderdelen bij het onderzoek van een kredietaanvraag is de terugbetalingscapaciteit en dus het inkomen van de kredietaanvrager; het is een kredietverstrekker niet onmogelijk om het bestaan van een activiteit die een inkomen genereert, alsook de herkomst en de duur ervan, opgenomen in een kredietaanvraag, op zijn echtheid te controleren; minstens is een kredietinstelling, zonder stukken tot staving van die activiteit en dit inkomen, niet ertoe gehouden vertrouwen te hechten aan de eenvoudige vermelding van het bestaan ervan.
Het misdrijf van valsheid in geschriften als bedoeld in de artikelen 193, 196 en 214 Strafwetboek bestaat erin in een door de wet beschermd geschrift, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de waarheid te vermommen op een bij de wet bepaalde wijze, terwijl hieruit een nadeel kan ontstaan.
Een door de wet beschermd geschrift in de zin van die bepalingen is een geschrift dat in een zekere mate tot bewijs kan strekken, dit is zich aan het openbare vertrouwen opdringen, zodat de overheid of particulieren die ervan kennis nemen of aan wie het wordt voorgelegd, kunnen overtuigd zijn van de waarachtigheid van de rechtshandeling of van het rechtsfeit in dat geschrift vastgelegd of kunnen gerechtigd zijn daaraan geloof te hechten.
Een geschrift dat slechts bewijswaarde heeft na aanvaarding door de bestemmeling, dringt zich in de regel niet op aan het openbaar vertrouwen. In dat geval staat het immers aan de bestemmeling om de in het geschrift voorkomende vermeldingen op hun waarheidsgehalte te controleren, in zoverre dit hem niet onmogelijk is of dit hem door toedoen van de dader niet onmogelijk wordt gemaakt.
Uit de enkele omstandigheid dat een kredietinstelling gehouden is tot controle van de vermeldingen die een kredietaanvrager op een kredietaanvraag heeft aangebracht of laten aanbrengen en dat die instelling daartoe de waarachtigheid dient na te gaan van de bij die aanvraag gevoegde stavingstukken, volgt niet dat die vermeldingen nooit in zekere mate tot bewijs kunnen strekken.
Om te bepalen of vermeldingen in een geschrift in zekere mate tot bewijs kunnen strekken voor de bestemmeling ervan en zich derhalve aan het openbaar vertrouwen opdringen, mag de rechter voortgaan op het normaal te verwachten gedrag van een redelijke en voorzichtige bestemmeling, gelet op de context waarin het geschrift wordt voorgelegd.
Een normale en voorzichtige financiële instelling kan zich, naar omstandigheden, laten overtuigen van de waarachtigheid van de door de kredietaanvrager voorgehouden financiële toestand door een extrapolatie van door hem bij wijze van voorbeeld overgelegde stukken. Het feit dat het inkomen en de daaruit af te leiden terugbetalingscapaciteit van een kredietaanvrager een essentieel onderdeel van het onderzoek van een kredietaanvraag is, is daarmee niet in tegenspraak.
De rechter oordeelt onaantastbaar of een geschrift zich in de concreet door hem vastgestelde omstandigheden aan het openbaar vertrouwen opdringt. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
» Bekijk alle artikels: Handel & Consument












