Boek 7 BW.
Een praktische checklist voor ondernemingen
Prof. dr. Thijs Tanghe en mr. Tijl Eggers (Eubelius)
Webinar op donderdag 2 juli 2026
Verzekeringspolissen:
clausules die aanleiding kunnen geven tot discussies
Mr. Sandra Lodewijckx (Lydian)
Webinar op vrijdag 25 september 2026
Mededingingsrecht:
recente ontwikkelingen
Mr. Melissa Van Schoorisse (Covington)
Webinar op vrijdag 25 september 2026
Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?
Overweeg dan zeker onze voordeelformules!
Krijg toegang tot +250 opleidingen
Live & on demand webinars
Met tussenkomst van de kmo-portefeuille
Generatieve AI
in de juridische praktijk
Dr. Wim De Mulder (KU Leuven)
Webinar op donderdag 25 februari 2027
Onderhoudsuitkeringen:
de impact van de ingrijpende fiscale wijzigingen
Mr. Steven Brouwers, advocaat-bemiddelaar
Webinar op vrijdag 3 juli 2026
Is een opzegvergoeding in een contract tussen ondernemingen een onrechtmatig beding? (Everest)
Auteur: Joris Deene (Everest)
Wie een dienstverlener inhuurt en de samenwerking vroegtijdig stopzet, botst soms op een fors uitstapbeding. Mag dat zomaar tussen ondernemingen, of is zo’n beding nietig als onrechtmatig beding? De Franstalige ondernemingsrechtbank te Brussel oordeelde op 13 januari 2025 dat een opzegvergoeding van 50 procent van de geraamde besparingen géén kennelijk onevenwicht schept, en dus geldig blijft. Een Luxemburgse school, die een Belgische cost-consultant had ingeschakeld op no cure no pay-basis, ving daarmee bot met haar beroep op de de regelgeving inzake onrechtmatige B2B bedingen.
De feiten
Een consultancyvennootschap, hier C., levert advies over kostenbesparingen aan ondernemingen. Haar verdienmodel is resultaatgebonden: zij ontvangt 50 procent van de werkelijk gerealiseerde besparingen, gemeten over een controle- en opvolgperiode van vierentwintig of achtenveertig maanden. Tijdens de opdracht factureert zij voorschotten op basis van geraamde besparingen.
In 2021 sloot C. een “Convention de consulting en optimisation de frais” met G., een internationale school in Luxemburg met ongeveer 850 leerlingen. Vijf kostencategorieën vielen onder de opdracht, waaronder facility management, IT en telecom, catering en utilities. C. stelde per categorie een situatierapport op, vervolgens een optierapport met concrete besparingsvoorstellen.
Na de eerste twee optierapporten ontstond wrijving. G. vond de voorgestelde opties niet geschikt voor haar situatie en wilde deels met de bestaande leveranciers verder. C. verweet G. gebrek aan investeringsbereidheid en reactiviteit. Uiteindelijk verbrak G. de samenwerking eenzijdig in het najaar van 2022.
C. vorderde daarop een opzegvergoeding van 258.879,40 euro, gebaseerd op artikel 6 van de overeenkomst. Dat artikel voorzag in een progressieve uitstapvergoeding: 15.000 euro per categorie vóór het optierapport (art. 6.1), dertig procent van de geraamde besparingen na voorstelling maar vóór aanvaarding van het optierapport (art. 6.2), en vijftig procent na aanvaarding met bevestiging van de gekozen opties (art. 6.3). G. wierp op dat artikel 6 een onrechtmatig beding was in de zin van artikel VI.91/3 van het Wetboek van economisch recht en dus nietig.
De beslissing
De rechtbank verwierp het nietigheidsverweer en oordeelde dat artikel 6 geen kennelijk onevenwicht schept.
De rechtbank vertrok van de toetsingsnorm van artikel VI.91/3 WER. De rechter oefent hierbij slechts een marginale toetsing uit, met respect voor de contractvrijheid en de vrijheid van ondernemen. De toetsing betreft enkel een juridisch onevenwicht, niet het economisch evenwicht van de overeenkomst, en gebeurt in concreto aan de hand van de beoordelingselementen van artikel VI.91/3, § 2 WER.
Bij de omstandigheden rond de contractsluiting stelde de rechtbank vast dat van economische afhankelijkheid geen sprake was. G. had uit eigen beweging een beroep gedaan op C., het initiatief van de samenwerking ging niet van C. uit. De overeenkomst was geen toetredingscontract in strikte zin: G. had een lange bedenktijd gehad, meerdere voorbereidende vergaderingen gevoerd, de betalingstermijnen aangepast van acht naar dertig dagen en zelfs de werktaal gekozen. Dit wees op een effectieve onderhandelingsmogelijkheid.
Bij de algemene opzet van het contract verwierp de rechtbank de stelling dat C. eenzijdig bepaalde of een besparing “geslaagd” was. Artikel 2.8 liet G. immers toe binnen dertig dagen gefundeerde voorbehouden te formuleren; in dat geval moest C. haar rapport herzien. G. was dus niet overgeleverd aan de willekeur van C. zodra een optierapport werd toegestuurd. De rechtbank benadrukte bovendien dat C. soepel met die termijn was omgesprongen.
Doorslaggevend was de vergelijking met het gemeen recht. De rechtbank kwalificeerde de overeenkomst als een aannemingsovereenkomst. Op grond van artikel 1794 oud BW mag de opdrachtgever een aanneming naar eigen wil verbreken, mits hij de aannemer vergoedt voor al zijn uitgaven, al zijn arbeid en alles wat hij bij de aanneming had kunnen winnen, met inbegrip van de gederfde winst. Tegen die achtergrond bleken de uitstapvergoedingen van artikel 6 niet kennelijk onevenwichtig. G. had geen raming voorgelegd van wat C. zonder uitstapbeding op grond van het gemeen recht had kunnen vorderen, zodat het onevenwicht niet was aangetoond. Integendeel: gelet op de omvang van de gemeenrechtelijke vergoeding en de gevorderde staat van de werken leken de bedongen vergoedingen in lijn met wat C. krachtens het gemeen recht had verdiend.
De rechtbank besloot dat artikel 6 geldig was. Bij de begroting oordeelde zij wel dat de vijftig procent-vergoeding van artikel 6.3 niet toepasselijk was, omdat G. geen enkele optie had “bevestigd” of “weerhouden”. De vergoeding moest voor die categorieën op dertig procent (art. 6.2) worden berekend.
Juridische analyse en duiding
De vergelijking met het aanvullend recht als kompas voor de B2B-toetsing
De kern van het vonnis ligt in de methode. De rechtbank importeert expliciet de vergelijkingsoefening uit de consumentenrechtspraak van het Hof van Justitie. In het arrest Banco Primus oordeelde het Hof dat, om te beoordelen of een beding een aanzienlijke verstoring van het evenwicht veroorzaakt, met name rekening moet worden gehouden met de regels die bij gebreke van een beding naar nationaal recht van toepassing zouden zijn. Zo kan de rechter “de afstand meten” tussen het contractuele en het wettelijke regime.
Die vergelijkingsoefening met het aanvullend recht wordt overigens door de parlementaire voorbereiding van de wet van 4 april 2019 zelf gesuggereerd. Toch verdient ze nuance. De ratio van de consumentenbescherming, het machtsverschil tussen verkoper en consument, ontbreekt per definitie in een B2B-relatie tussen twee professionele partijen. De rechtbank ondervangt dit door de vergelijking niet als beschermingsinstrument maar als objectieve maatstaf te hanteren: het aanvullend recht geeft het “normale” evenwicht weer waartegen de afwijking wordt afgemeten. Daarmee wordt de marginale toetsing concreet en hanteerbaar, zonder in een herstel van het economisch evenwicht te vervallen, wat artikel VI.91/3 WER nu net verbiedt.
De bewijslast als scharnierpunt
Opvallend is hoezeer de uitkomst draait om de bewijslast. De rechtbank stelt vast dat G. geen raming heeft voorgelegd van de vergoeding die C. zonder uitstapbeding op grond van artikel 1794 oud BW had kunnen vorderen. Bij gebreke daaraan is niet aangetoond dat de bedongen vergoedingen kennelijk onevenwichtig zijn.
Dit legt een aanzienlijke last bij de partij die zich op de nietigheid beroept. Wie een opzegbeding als onrechtmatig wil aanvechten, moet niet enkel de hoogte ervan bekritiseren, maar het contractuele bedrag concreet afzetten tegen de gemeenrechtelijke vergoeding. Die benadering sluit aan bij het marginale karakter van de toetsing en bij de bewijsregel dat hij die een feit aanvoert het ook moet bewijzen, maar ze maakt een geslaagde betwisting in de praktijk allesbehalve evident.
Het onderscheid tussen opzegvergoeding en strafbeding
De rechtbank herinnert eraan dat een uitstapbeding verschilt van een strafbeding: het herstelt geen schade wegens wanprestatie, maar vormt de tegenprestatie voor het recht om de overeenkomst vervroegd te beëindigen, los van enige contractuele tekortkoming. Dat onderscheid is geen detail. Een strafbeding is onderworpen aan de matigingsbevoegdheid van de rechter en aan strengere toetsing; een echte opzegvergoeding ontsnapt daar in beginsel aan. De kwalificatie bepaalt dus mee het toetsingskader. Het is precies omdat artikel 6 als opzegvergoeding wordt gelezen, en niet als verkapt strafbeding, dat de marginale B2B-toetsing en de vergelijking met artikel 1794 oud BW de gepaste maatstaf vormen. Wie het beding had willen herkwalificeren als strafbeding, had een ander en strenger beoordelingsregime kunnen inroepen.
Wat betekent dit concreet?
Voor dienstverleners met een resultaatgebonden verdienmodel.
Een progressieve opzegvergoeding is verdedigbaar, op voorwaarde dat ze aansluit bij wat het gemeen recht zou toekennen. Verankert u het beding uitdrukkelijk als de tegenprestatie voor een eenzijdig beëindigingsrecht en niet als sanctie voor wanprestatie, dan vermijdt u dat het als strafbeding wordt geherkwalificeerd en aan matiging wordt onderworpen. Een gespreide regeling, waarbij de vergoeding meegroeit met de gevorderde staat van uitvoering, vergroot de kans dat ze de marginale toetsing doorstaat.
Voor opdrachtgevers die een uitstapbeding willen aanvechten.
Het volstaat niet te wijzen op de hoogte van de vergoeding of op het resultaatgebonden karakter ervan. U zult het bedongen bedrag concreet moeten afzetten tegen de vergoeding die de dienstverlener zonder beding op grond van artikel 1794 oud BW had kunnen vorderen, uitgaven, arbeid en gederfde winst inbegrepen. Zonder die rekenoefening blijft het kennelijk onevenwicht onbewezen. Een eerdere erkenning van een deel van de vergoeding speelt bovendien in uw nadeel.
Voor wie B2B-contracten redigeert.
De vergelijking met het aanvullend recht is de toetssteen geworden. Stem afwijkende bedingen af op het gemeenrechtelijke regime dat zij vervangen, en documenteer waarom de afwijking gerechtvaardigd is. Een beding dat de afstand tot het gemeen recht beperkt houdt, is moeilijker als onrechtmatig aan te vechten.
Veelgestelde vragen (FAQ)
Mag een onderneming een opzegvergoeding aanvechten als onrechtmatig beding tegenover een andere onderneming?
Ja. Op grond van art. VI.91/3 WER toetst de rechter bedingen in contracten tussen ondernemingen op een kennelijk onevenwicht. De toetsing is wel marginaal en betreft enkel het juridisch evenwicht, niet de prijs of de economische waarde van de prestatie.
Wanneer is een opzegvergoeding in een B2B-contract kennelijk onevenwichtig?
Niet zomaar omdat ze hoog is. De rechter vergelijkt het beding met de regeling die zonder beding zou gelden. Bij een aannemingsovereenkomst is dat artikel 1794 oud BW, dat de aannemer recht geeft op vergoeding van zijn uitgaven, arbeid en gederfde winst. Ligt de bedongen vergoeding in die lijn, dan is er geen kennelijk onevenwicht.
Wat is het verschil tussen een opzegvergoeding en een strafbeding?
Een strafbeding vergoedt schade bij wanprestatie en kan door de rechter worden gematigd. Een opzegvergoeding is de tegenprestatie voor het recht om een contract vroegtijdig te beëindigen, los van enige fout, en ontsnapt in beginsel aan die matiging.
Conclusie
De Franstalige ondernemingsrechtbank te Brussel bevestigt dat een progressieve opzegvergoeding tussen ondernemingen geldig blijft zolang ze in lijn ligt met wat het gemeen recht zou toekennen. De vergelijking met het aanvullend recht, ontleend aan de consumentenrechtspraak van het Hof van Justitie, is daarbij het kompas, en de bewijslast rust zwaar op de partij die de nietigheid inroept. Voor wie B2B-contracten opstelt of betwist, is de boodschap helder: niet de hoogte van een beding telt, maar de afstand tot het regime dat het vervangt.
Bron: Everest
» Bekijk alle artikels: Handel & Consument, Verbintenissen & Goederen














