Het toepasselijke recht op de beëindiging van een internationale handelsagentuur (Van Gompel Advocaten)

Auteur: Hans Van Gompel (Van Gompel Advocaten)

Publicatiedatum: 22/04/2020

Het toepasselijke recht op de beëindiging van een internationale handelsagentuur
Niet altijd het door partijen gekozen recht ?
Artikel 3 versus artikel 9 van de Rome I-Verordening
Een illustratie uit de rechtspraak

1. Het algemeen kader in de Rome I Verordening

De Rome I-Verordening[i] bepaalt binnen de Europese Unie welk recht toepasselijk is op de contractuele verhoudingen.

Art. 3 van de verordening bepaalt dat de contractspartijen zelf de vrijheid hebben om het op hun contract toepasselijke recht te kiezen.

Bij gebreke hieraan geeft art. 4 van de verordening verschillende richtsnoeren om het toepasselijk recht te kunnen vaststellen. Zo wordt, bij gebreke aan rechtskeuze, het op een distributieovereenkomst toepasselijke recht beheerst door het recht waar de distributeur zijn gewone verblijfplaats heeft.

Het is enkel wanneer de rechter van oordeel is dat een ander dan het door partijen gekozen – “bijzonder dwingend” – recht zich opdringt om te worden toegepast op het geschil, dat hij hiervan kan afwijken.

Deze mogelijkheid wordt de rechter geboden in art. 9 van de Verordening.

Het gaat om een beperkte categorie van rechtsregels, m.n. “bepalingen aan de inachtneming waarvan een land zoveel belang hecht voor de handhaving van zijn openbare belangen zoals zijn politieke, sociale of economische organisatie, dat zij moeten worden toegepast op elk geval dat onder de werkingssfeer ervan valt, ongeacht welk recht (…) overigens van toepassing is op de overeenkomst”

Indien dit “bijzonder dwingend recht” deel uitmaakt van de lidstaat van de beoordelende rechter, moet de rechter het bijzonder dwingend recht naleven.

Illustratie: Een rechter in lidstaat A moet oordelen over een contract dat valt onder de toepassing van het recht van Lidstaat B. Indien zijn eigen recht (van lidstaat A) regels van “bijzonder dwingend recht” bevat, die van belang zijn voor de beoordeling van het geschil, moet de rechter de toepassing van het door de partijen gekozen recht van lidstaat B opzij zetten en het “bijzonder dwingend recht” van zijn eigen lidstaat toepassen.

Daarentegen komt de toepassing van het “bijzonder dwingend recht” van een andere lidstaat dan deze van de lidstaat van de beoordelende rechter enkel in aanmerking indien het gaat om het recht van de lidstaat waar de verbintenissen waarover betwisting werden uitgevoerd en in zoverre de niet-naleving van dergelijke regels de uitvoering van de overeenkomst onwettig zou maken   Bovendien is de gevatte rechter alsdan niet verplicht dit “bijzonder dwingend recht” toe te passen.  Hij kan dit wel doen.

Illustratie: Een rechter in lidstaat A moet oordelen over een contract dat valt onder de toepassing van het recht van deze lidstaat A. Het contract werd echter uitgevoerd in lidstaat B. Het recht van lidstaat B bevat regels van “bijzonder dwingend recht” die, anders dan onder het gekozen recht A, de uitvoering van de overeenkomst onwettig zou maken. Zelfs in dit beperkte geval is de bevoegde rechter niet verplicht het buitenlandse “bijzonder dwingend recht” toe te passen. De bevoegde rechter kan hierover, soeverein, een keuze maken

2. De bijzondere situatie van het recht toepasselijk op handelsagentuurovereenkomsten

In alle lidstaten van de Europese Unie is een gelijklopende regelgeving toepasselijk op handelsagentuurovereenkomsten. Immers, de diverse nationale wetgevingen zijn afgestemd op de zogenaamde Handelsagentuurrichtlijn, waarbij de Europese wetgever een minimumharmonisatie – ten voordele van de handelsagent – doorvoerde, die door de lidstaten moest worden omgezet in het nationale recht[ii]

Bij de implementatie van de Handelsagentuurrichtlijn in hun nationale wetgeving konden de lidstaten voorzien in een ruimere bescherming voor de handelsagent dan deze opgenomen in de richtlijn.

3. Een illustratie uit de praktijk: het arrest van 19 juni 2019 van het Hof van beroep te Gent.

In een arrest van 19 juni 2019 kon het Hof van Beroep te Gent toepassing maken van voornoemde principe. Het Hof was gevat om te oordelen over een geschil n.a.v. de beëindiging van een handelsagentuurovereenkomst tussen een Engelse principaal en een Italiaanse agent. De overeenkomst was uitgevoerd in Italië. Partijen hadden in het contract voorzien in de bevoegdheid van de Belgische rechtbanken en de toepasselijkheid van het Belgische recht.

Naar Belgisch agentuurrecht was de vordering van de Italiaanse agent verjaard.[iii] De Italiaanse handelsagent wenste zich echter te beroepen op het Italiaanse recht, dat voorzag in aanzienlijk langere verjaringstermijnen, op grond waarvan zijn vordering nog niet verjaard zou zijn. Volgens de Italiaanse agent ging het om een regel van “bijzonder dwingend” recht van het land (Italië) waar de agentuurovereenkomst was uitgevoerd.

In haar arrest van 19 juni 2019 besliste het Hof te Gent dat de door de Italiaanse agent ingeroepen bepalingen van Italiaans recht niet als “bijzonder dwingend recht” konden worden beschouwd en beoordeelde de zaak dus naar Belgisch recht. In toepassing hiervan was de vordering van de Italiaanse agent verjaard.

Hans Van Gompel en Wim Wijsmans becommentarieerden het arrest in een artikel “Het bijzonder dwingend recht van art. 9,3 Rome I-Verordening toegepast op een beëindiging van een handelsagentuur”. Het arrest en het artikel werden gepubliceerd in de RABG (2019, 1486). U vindt hierbij het gepubliceerde arrest en het gepubliceerde artikel.

[i] Verordening (EG) nr. 593/2008 van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst

[ii] In België gebeurde dit d.m.v. de Wet van 13 april 1995, thans opgenomen onder artikelen X.1 – 25 Wetboek Economisch Recht (W.E.R).

[iii]  Naar Belgisch agentuurrecht verjaren vorderingen ontstaan uit een handelsovereenkomst één jaar na de beëindiging van de overeenkomst (art. X.24 W.E.R.).