Het beperken van aansprakelijkheid in B2B relaties (Stappers Advocaten)

Auteur: Katrijn Van der Maat (Stappers Advocaten) 

De mogelijkheden voor een onderneming om in haar contractuele relaties met andere ondernemingen haar aansprakelijkheid te beperken werden aanzienlijk teruggeschroefd sedert de inwerkingtreding op 1 december 2020 van het nieuwe artikel VI.91/5 Wetboek Economisch Recht.

Voorafgaand aan voormelde wetswijziging kon een onderneming in haar B2B relaties haar aansprakelijkheid verregaand uitsluiten. De wetgeving legde op dit vlak eigenlijk nauwelijks beperkingen op. In de rechtspraak werd wel gesteld dat aansprakelijkheidsbeperkingen die het voorwerp zelf van een contractuele verbintenis teniet doen niet geldig zijn.

Sedert 1 december 2020 worden bedingen die een onderneming ontslaan van haar aansprakelijkheid voor haar opzet, haar zware fout of voor die van haar aangestelden of, behoudens overmacht, voor het niet-uitvoeren van de essentiële verbintenissen die het voorwerp van de overeenkomst uitmaken, vermoed onrechtmatig en dus nietig te zijn (artikel VI.91/5, 6° Wetboek Economisch Recht).

Een onderneming zal in beginsel in haar B2B-relaties haar aansprakelijkheid dus niet kunnen uitsluiten voor:

  • Haar opzet, zware fout of die van haar aangestelden;
  • Het niet-uitvoeren van de essentiële verbintenissen die het voorwerp van de overeenkomst uitmaken, behoudens overmacht.
Geen uitsluiting van aansprakelijkheid voor opzet of zware fout van een onderneming of die van haar aangestelden

Een vergelijkbare beperking bestond reeds langer voor overeenkomsten met consumenten waar artikel VI.83, 13° Wetboek Economisch Recht als onrechtmatig en dus nietig aanziet de clausules die de onderneming ontslaan van haar aansprakelijkheid voor haar opzet, haar grove schuld of voor die van haar aangestelden of lasthebbers.

Deze beperking wordt thans dus doorgetrokken naar de B2B relaties doch met dien verstande dat artikel VI.91/5, 6° Wetboek Economisch Recht geen melding maakt van lasthebbers.

Het uitsluiten van aansprakelijkheid voor het opzet of de zware fout van zelfstandige onderaannemers wordt in beginsel dus niet geviseerd door de beperking die artikel VI.91/5, 6° Wetboek Economisch Recht oplegt. Dergelijke uitsluitingen van aansprakelijkheid zijn dus in principe mogelijk al kunnen zij er niet toe leiden dat een onderneming haar aansprakelijkheid voor het niet-uitvoeren van essentiële verbintenissen onder de overeenkomst uitsluit.

Geen uitsluiting van aansprakelijkheid voor de niet-uitvoering van de essentiële verbintenissen die het voorwerp van de overeenkomst uitmaken

Deze beperking is zoals aangehaald niet nieuw nu de rechtspraak ook voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel VI.91/5, 6° Wetboek Economisch Recht de geldigheid van dergelijk beding niet aanvaardde. In relaties met consumenten was dit verbod overigens reeds langer expliciet opgenomen in de wet waar voormeld artikel VI.83, 13° Wetboek Economisch Recht als onrechtmatig en dus nietig ook aanziet de clausules die de onderneming ontslaan van haar aansprakelijkheid voor het niet-uitvoeren van een verbintenis die een van de voornaamste prestaties van de overeenkomst vormt, behoudens overmacht.

Onder essentiële verbintenissen moet worden verstaan de verbintenissen die het wezen zelf van de overeenkomst uitmaken. Zo zal een verkoper niet geldig kunnen bedingen dat hij niet aansprakelijk is wanneer hij niet levert en een aannemer niet geldig kunnen bedingen dat hij niet aansprakelijk is wanneer hij de werken niet uitvoert. Dergelijke verregaande uitsluitingen van aansprakelijkheid komen er immers op neer dat de betrokken partij (verkoper, aannemer,…) geen enkel engagement aangaat.

De enige uitzondering hierop vormt de aanwezigheid van overmacht. In dergelijk geval zal een onderneming niet aansprakelijk zijn, ongeacht of dit bedongen werd of niet. Deze uitzondering volgt immers uit de wet zelf (artikel 1148 oud Burgerlijk Wetboek).

Sanctie

Bedingen die worden opgesteld in strijd met voormelde beperkingen aan de contractvrijheid worden vermoed onrechtmatig en daarom nietig te zijn.

Artikel VI.91/5, 6° Wetboek Economisch Recht houdt weliswaar slechts een weerlegbaar vermoeden in. Ondernemers mogen dus het tegenbewijs leveren dat een dergelijke clausule, alle omstandigheden in acht genomen, in een concreet geval toch evenwichtig is, derhalve geen onrechtmatig beding uitmaakt en dus niet nietig is. Dergelijk tegenbewijs zal echter in de meeste gevallen niet evident zijn.

Slaagt een onderneming niet in het tegenbewijs dan is de bepaling onrechtmatig en dus nietig. Zij zal dan geen enkele uitwerking hebben. Als gevolg daarvan zal een onderneming zich niet op de onrechtmatig bedongen aansprakelijkheidsbeperking kunnen beroepen en is zij volledig onderworpen aan de aansprakelijkheidsregels van het gemeen recht. Dit wil zeggen dat zij alle voorzienbare schade die in oorzakelijk verband staat met haar fout zal dienen te vergoeden.

Aansprakelijkheid beperken kan nog steeds!

De contractsvrijheid voor ondernemers om hun aansprakelijkheid in te beperken, wordt door voormelde wetgeving dus beknot. Let wel, dit betekent niet dat exoneratiebedingen in B2B relaties niet meer mogelijk zijn.

Vooreerst verbiedt voormelde bepaling enkel dat een onderneming in bepaalde gevallen haar aansprakelijkheid uitsluit. Het blijft echter in beginsel toegelaten voor een onderneming ook in die gevallen haar aansprakelijkheid te beperken. Zo kan men bijvoorbeeld geldig bedingen dat de aansprakelijkheid van een onderneming in alle gevallen beperkt wordt tot een bepaald bedrag. Dit bedrag mag evenwel niet dermate symbolisch zijn dat er in feite sprake is van een uitsluiting van aansprakelijkheid. Ook kan men geldig bedingen dat men niet aansprakelijk is voor indirecte schade.

Verder blijft ook het uitsluiten van aansprakelijkheid voor lichte fouten toegestaan.

We kunnen dus besluiten dat bedingen in algemene voorwaarden of contracten die de aansprakelijkheid van ondernemingen beperken nuttig waren en ook blijven. Wel zal een onderneming bij de redactie ervan erop moeten toezien dat zij haar aansprakelijkheid niet verder aan banden legt dan wat wettelijk is toegestaan. In dat geval riskeert zij immers met een nietige bepaling te worden geconfronteerd waarop zij zich niet kan beroepen.

Bron: Stappers Advocaten