Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?
Overweeg dan zeker onze voordeelformules!
Krijg toegang tot +250 opleidingen
Live & on demand webinars
Met tussenkomst van de kmo-portefeuille
Antiwitwaskader:
de fundamentele wijzigingen
vanaf 10 juli 2027
Mr. Stijn De Meulenaer (Everest)
Webinar op vrijdag 16 april 2026
Aansprakelijkheid voor gebrekkige producten:
de uitbreiding van Boek 6 BW
(inclusief handboek)
Dhr. Constant De Koninck (Rekenhof)
Webinar op donderdag 20 mei 2027
Successieplanning anno 2027
Mr. Olivier De Keukelaere en mr. Nathalie Labeeuw (Cazimir)
Webinar op donderdag 4 maart 2027
Oude successieplanningen onder de loep:
wat bij gewijzigde omstandigheden?
Mr. Rinse Elsermans (Cazimir)
Webinar op donderdag 18 februari 2027
Overname van een handelszaak:
15 knelpunten onder de loep
Mr. Vanessa Ramon en mr. Mariël Van Vynckt (Cygnus Advocaten)
Webinar op donderdag 18 maart 2027
Eerst terugbetalen, daarna pas het debat? Wat het arrest Tukowiecka betekent voor banken en fraudeslachtoffers (Everest)
Auteur: Jorne Geenens en Stijn De Meulenaer (Everest)
Het Hof van Justitie besliste op 15 oktober 2026 in de zaak Tukowiecka dat een bank de onmiddellijke terugbetaling van een niet-toegestane betalingstransactie niet mag weigeren met het argument dat de betaler die transactie door grove nalatigheid mogelijk heeft gemaakt. Het Hof volgt daarmee de conclusie die advocaat-generaal Rantos op 5 maart 2026 had genomen.
Waarover de zaak ging
Een cliënte van een Poolse bank bood een voorwerp te koop aan op een verkoopplatform. Een zogenaamde koper stuurde haar een link die de website van haar bank nabootste. Zij voerde er haar inloggegevens in. Met die gegevens schreef de fraudeur 3.000 Poolse zloty, ongeveer 705 euro, over naar zijn eigen rekening, bevestigd met een sms-code die hij haar eveneens had ontfutseld. De cliënte meldde de fraude de volgende dag aan haar bank en aan de politie. De bank weigerde terug te betalen: de cliënte had haar beveiligingsgegevens prijsgegeven en was dus grof nalatig geweest. De Poolse rechter vroeg het Hof of die redenering opgaat.
Eerst terugbetalen, daarna het aansprakelijkheidsdebat
Het Hof oordeelde van niet. De tweede betalingsdienstenrichtlijn, in België omgezet in Boek VII van het Wetboek van economisch recht, kent op de verplichting tot onmiddellijke terugbetaling van een niet-toegestane transactie één uitzondering: de bank heeft redelijke gronden om fraude van de betaler zelf te vermoeden en deelt die gronden schriftelijk mee aan de bevoegde overheid, in België de FOD Economie. Grove nalatigheid staat niet in die tekst, en het Hof oordeelde dan ook dat dit geen uitzondering vormt op de onmiddellijke terugbetalingsverplichting. De terugbetalingsplicht en de aansprakelijkheidsverdeling regelen volgens het Hof twee onderscheiden stadia van dezelfde procedure: de bank betaalt eerst terug, en wie uiteindelijk het verlies draagt, wordt pas daarna uitgemaakt.
Voor de bank betekent dat nog niet het einde van het verhaal, en dat verdient evenveel aandacht. De terugbetaling is voorlopig, niet definitief. Toont de bank nadien aan dat de betaler grof nalatig is geweest, dan zal de betaler alsnog de verliezen dienen te dragen. De bewijslast van de grove nalatigheid ligt daarbij bij de bank.
Wat in het debat verloren dreigt te gaan: de transactie moet eerst niet-toegestaan zijn
In de berichtgeving en in menig debat wordt het arrest samengevat als: de bank moet het slachtoffer van fraude voortaan altijd meteen terugbetalen. Dat staat er niet, en het verschil is geen detail.
De verplichting tot onmiddellijke terugbetaling ontstaat pas wanneer de transactie niet-toegestaan is. Dat is geen uitzondering op de terugbetalingsplicht, maar een toepassingsvoorwaarde die vervuld moet zijn vooraleer er sprake kan zijn van een voorlopige terugbetalingsverplichting van de bank. In Tukowiecka stond het niet-toegestane karakter van bij het begin vast en werd het door niemand betwist. Over de vraag wanneer een transactie toegestaan is, zegt het arrest dan ook niets. Precies die vraag beslist in de Belgische praktijk nochtans meer dossiers dan de grove nalatigheid.
Een betalingstransactie is toegestaan wanneer de betaler met de uitvoering ervan heeft ingestemd in de vorm en volgens de procedure die hij met zijn bank is overeengekomen. De rechtspraak vult dat objectief in: beslissend is of de betaler zelf de betalingsprocedure heeft doorlopen. Niet relevant is wat de betaler dacht of hoopte te doen met zijn betaling. Wie zijn codes aan een fraudeur prijsgeeft waarna die fraudeur zelf de betaling initieert, zoals in Tukowiecka, heeft niet ingestemd. Wie daarentegen door een fraudeur wordt overgehaald om zelf de overschrijving uit te voeren en te bevestigen, zoals bij factuurfraude, beleggingsfraude of de zogenaamde veilige rekening, verricht een toegestane transactie, hoe grondig hij ook is bedrogen over de bestemming van het geld. Dit bedrog maakt de transactie niet niet-toegestaan. Het arrest verandert aan die grens niets.
Eerste relativering: ten gronde wordt alles samen beoordeeld
Het arrest regelt de volgorde, niet de uitkomst. Artikel VII.43 WER verplicht tot een voorlopige terugbetaling, maar het is geen zelfstandige aansprakelijkheidsgrond die bepaalt wie het verlies op het einde draagt. Dat doet artikel VII.44 WER.
Wanneer de betaler een vordering ten gronde instelt op grond van art. VII.43 WER, beoordeelt de rechtspraak die vordering doorgaans samen met artikel VII.44 WER en beslist zij in één beweging over de definitieve verdeling. Op dat ogenblik staat de onmiddellijke terugbetaling niet langer op zichzelf ter beoordeling: bewijst de bank de grove nalatigheid, dan draagt de betaler het verlies.
Tweede relativering: de voorlopige terugbetaling moet langs het procesrecht
De tweede relativering is procesrechtelijk, en zij weegt in de praktijk het zwaarst. Het Unierecht zegt dat de bank onmiddellijk moet terugbetalen, maar regelt niet de procedureweg langs waar die kan worden bekomen. Die weg is nationaal procesrecht. De twee routes die daarvoor in aanmerking komen, het kort geding en de voorlopige maatregel voor de bodemrechter, kennen elk hun eigen voorwaarden, waaraan ook voldaan moet zijn.
Het kort geding vergt vooreerst spoedeisendheid. Die volgt niet uit de wettelijke terugbetalingstermijn zelf: de betaler moet in concreto aantonen dat hij de uitkomst van een gewone procedure niet kan afwachten, en hij draagt daarvoor de bewijslast. De voorlopige maatregel voor de bodemrechter op grond van artikel 19, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek kent die urgentiedrempel niet, maar veronderstelt dat de zaak ten gronde al is ingeleid.
Daarnaast geldt voor beide routes dezelfde begrenzing: de rechter beveelt enkel een voorlopige maatregel en mag het geschil ten gronde niet definitief beslechten. Hij toetst de aanspraak dus prima facie: de betaler moet aannemelijk maken dat hij ten gronde gelijk zal krijgen, en voor een maatregel die feitelijk op de einduitkomst vooruitloopt, zoals de betaling van een geldsom, wordt die lat vaak hoger gelegd. In die prima facie toets komen de kwalificatie van de transactie én een ernstig onderbouwd verwijt van grove nalatigheid wél aan bod: niet als uitzondering op artikel VII.43 WER, want die lezing is na vandaag van de baan, maar als element van de kans dat de betaler het geding ten gronde wint. Een bank die de grove nalatigheid ernstig aannemelijk maakt, kan de voorlopige veroordeling zo alsnog afwenden.
Het valt dan ook af te wachten hoe de Belgische rechtspraak het arrest binnen dat procesrechtelijke kader zal toepassen.
De Europese wetgever stuurt intussen bij
Wie de houdbaarheid van het arrest wil inschatten, kijkt ten slotte best ook naar de compromistekst van de nieuwe betalingsdienstenverordening, die de Raad in april 2026 publiceerde. Volgens de aankomende wetgeving in deze materie krijgt de bank wél de mogelijkheid om de onmiddellijke terugbetaling op te schorten wanneer zij objectief gerechtvaardigde redenen heeft om opzet of grove nalatigheid van de betaler te vermoeden en zij die redenen schriftelijk aan de betaler meedeelt. Zij beschikt dan over vijftien werkdagen om ofwel terug te betalen, ofwel haar weigering te motiveren. Dat is precies de uitzondering die het Hof vandaag onder de huidige richtlijn afwijst, en zij komt er dus wellicht alsnog, zij het met strikte vorm- en termijnvereisten. Het arrest beslecht aldus een debat waarvan de Europese wetgever de uitkomst al aan het herschrijven is.
Conclusie
Het Hof van Justitie bevestigt de volgende interpretatie van de richtlijn: bij een niet-toegestane transactie betaalt de bank eerst terug, en het debat over de grove nalatigheid wordt nadien gevoerd. De praktische draagwijdte van die regel moet evenwel niet worden overschat. De toegang tot de terugbetaling blijft lopen over de objectief beoordeelde kwalificatie van de transactie. In de bodemprocedure beoordeelt de rechter de voorlopige terugbetalingsverplichting en aansprakelijkheid doorgaans samen, zodat de grof nalatige betaler het verlies uiteindelijk zelf draagt. Wie de terugbetaling hangende het geding wil afdwingen, moet de procesrechtelijke drempels over, waar het debat over de grove nalatigheid opnieuw opduikt. En de Europese wetgever staat klaar om de bank de opschortingsmogelijkheid te geven die het Hof haar vandaag ontzegt.
Bron: Everest
» Bekijk alle artikels: Handel & Consument, Successie & Vermogen

















