Het nieuwe Boek 6 en de impact
voor de bouw- en vastgoedsector:
10 aandachtspunten

Prof. dr. Kristof Uytterhoeven (Caluwaerts Uytterhoeven)

Webinar op dinsdag 23 april 2024


Woninghuur in Vlaanderen en Brussel:
het antwoord op 25 praktijkvragen

Mr. Ulrike Beuselinck en mr. Koen De Puydt (Seeds of Law)

Webinar op dinsdag 27 augustus 2024


Aandachtspunten bij het opstellen
en analyseren van ICT-contracten

Mr. Lynn Pype en mr. Liesa Boghaert (Timelex)

Webinar op donderdag 16 mei 2024


Aansprakelijkheid van hulppersonen
in en buiten de contractketting.
Een analyse in het licht van Boek 6

Prof. dr. Ignace Claeys en mr. Camille Desmet (Eubelius)

Webinar op vrijdag 30 augustus 2024


Vereffening-verdeling van nalatenschappen:
16 probleemstellingen

Mr. Nathalie Labeeuw (Cazimir)

Webinar op vrijdag 26 april 2024


Recente wetgevende ontwikkelingen
met impact op de bouwsector

Prof. dr. Kristof Uytterhoeven (Caluwaerts Uytterhoeven)

Webinar op dinsdag 27 augustus 2024

Een verbod op niet-concurrentiebedingen: een oplossing voor de liberale democratie en het marktkapitalisme? (Caluwaerts Uytterhoeven)

Auteur: Dirk Berckmans (Caluwaerts Uytterhoeven)

De Amerikaanse Federal Trade Commission (organisatie die consumenten beschermt) heeft sinds kort de niet-concurrentiebedingen in het vizier. Zij is van oordeel dat deze bedingen de vrije markt beknotten en dat zij daarom verboden moeten worden. Een korte analyse hiervan wordt gemaakt alsook vergeleken met het Belgisch recht.

Het niet-concurrentiebeding wordt gedefinieerd als de clausule waarin partijen er zich toe verbinden om tijdens en/of na het einde van de samenwerking elkaar geen concurrentie aan te doen. Het beschermt zowel knowhow als cliënteel.

De Federal Trade Commission (hierna: FTC) heeft een voorstel opgesteld waarin zij verklaart dat niet-concurrentiebedingen een oneerlijke concurrentiemethode vormen. Op 5 januari 2023 heeft de FTC de publieke opinie bevraagd over haar voorstel en de mogelijke alternatieven die zij heeft bedacht. De Commissie overweegt die bedingen algemeen te verbieden omdat ze concurrentiebeperkend zijn en de vrije markt beïnvloeden.

Maar hebben deze clausules geen voordelen? En wat met de contractvrijheid? Hieronder worden de pro- en contra-argumenten van dit soort bedingen uitgewerkt.

Volgens de voorstanders kan het bestaan van niet-concurrentiebedingen in de eerste plaats worden gerechtvaardigd door het legitieme karakter ervan. In een contractuele relatie zal er vaak kennis, informatie en knowhow tussen de partijen uitgewisseld worden. De partij die kennis overdraagt aan de andere partij wenst zekerheid dat deze andere partij niet zomaar met deze kennis vertrekt. Met andere woorden: niet-concurrentiebedingen zorgen voor een evenwicht tussen beide partijen en hun belangen.

Voorstanders van niet-concurrentiebedingen zijn van oordeel dat het volgende hierop aansluit, meer bepaald dat indien een partij zomaar met kennis, knowhow en cliënteel kan vertrekken, het bedrijf minder gestimuleerd wordt om te investeren in opleidingen en kennisoverdracht. Hierdoor zou het wellicht minder geneigd zijn om cruciale informatie mee te delen binnen de contractuele relatie. Dit zorgt voor een verminderde werking en productiviteit van het bedrijf in kwestie.

Tegenstanders van niet-concurrentiebedingen, stellen dat meer concurrentie lagere prijzenmeer keuzemeer innovatie en producten van betere kwaliteit met zich meebrengt. Gevolgen die niet te onderschatten zijn. Een belangrijk punt is dat knowhow en kennis dankzij een open markt meer verspreid worden en dit dus het algemeen belang ten goede komt. Bovendien verhinderen niet-concurrentiebedingen de oprichting van nieuwe bedrijven die in dat geval niet vrij zouden zijn om te concurreren.

Daarnaast stellen tegenstanders dat het argument van voorstanders dat niet-concurrentiebedingen bedrijfsgeheimen beschermen, geen rekening houdt met intellectuele rechten en geheimhoudingsovereenkomsten die precies daarvoor bedoeld zijn.

Nu de algemene argumenten voor en tegen niet-concurrentiebedingen zijn uiteengezet, wordt de focus gelegd op het Belgisch recht. Het niet-concurrentiebeding vormt een uitzondering op het algemeen rechtsbeginsel van vrijheid van handel en nijverheid, reeds in 1791 verankerd in het Decreet d’Allarde en nu vermeld in de artikelen II.2 en 3 van het Wetboek van Economisch Recht.

Het niet-concurrentiebeding mag evenwel niet te ver gaan. Zo heeft het Hof van Cassatie in 2017 geoordeeld dat een niet-concurrentiebeding als overdreven mag worden beschouwd wanneer het de concurrentie onredelijk beperkt naar voorwerp, territorium of duur. Om geoorloofd te zijn moet het beding dus soortgelijke activiteiten betreffen. Het verbod op concurrentie mag enkel betrekking hebben op plaatsen waar de partijen elkaar werkelijke concurrentie kunnen aandoen en moet sowieso beperkt worden tot het territorium waar de bedinger actief is. Tot slot moet de duur van het verbod redelijk zijn.

In overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Cassatie sinds 2015 kunnen ongeoorloofde niet-concurrentiebedingen gematigd of partieel vernietigd worden.

Bovendien houden de verplichtingen die voortvloeien uit het belangrijke loyaliteitsbeginsel van de artikelen 5.71 en 5.73 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek in dat partijen hun contractuele verbintenissen te goeder trouw nakomen, wat vaak ook zal betekenen dat er geen concurrentie mag gevoerd worden. Niet-concurrentiebedingen kunnen concurrentie voorkomen nadat het contract stopgezet is, waar het loyaliteitsbeginsel dan niet meer van toepassing is.

Daarnaast voorziet de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van bedrijfsgeheimen een reeks actiemiddelen die Belgische ondernemingen kunnen inroepen wanneer hun bedrijfsgeheimen verspreid, gestolen of onrechtmatig gebruikt worden.

Uit dit alles blijkt het duidelijk dat er een evenwicht moet gevonden worden tussen vrijheid van handel en nijverheid enerzijds en contractvrijheid anderzijds. Indien vrijheid van handel en nijverheid de voorkeur genieten, is het gerechtvaardigd om niet-concurrentiebedingen te verbieden. Omgekeerd, als contractvrijheid het overwicht krijgt, is het legitiem dat partijen kunnen beslissen om niet-concurrentiebedingen in hun contract op te nemen.

De oplossing in België lijkt een evenwicht te vinden tussen deze twee belangrijke vrijheden. Het is inderdaad mogelijk om niet-concurrentiebedingen op te nemen, maar slechts onder bepaalde voorwaarden. Het ongeoorloofde of overdreven niet-concurrentiebeding kan dan door de rechter gematigd of partieel vernietigd worden.

Ten slotte kan men de vraag stellen of het vandaag opportuun is om niet-concurrentiebedingen te verbieden in het Belgisch recht zoals voorgesteld door de FTC. Het antwoord lijkt nee te zijn. In België zijn zowel contractvrijheid als vrijheid van handel en nijverheid fundamenteel. Wanneer het verboden is om niet-concurrentiebedingen in contracten op te nemen ondermijnt dit de contractsvrijheid, terwijl artikel 5.14 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek daarin voorziet. De vrijheid van handel en nijverheid mag evenmin terzijde geschoven worden, het is immers een belangrijk algemeen rechtsbeginsel.

De huidige Belgische wetgeving slaat niet noodzakelijkerwijs door naar één van beide vrijheden en lijkt daarvoor heden een goede oplossing.

Niet-concurrentiebedingen kunnen steeds in contracten worden opgenomen, maar slechts onder bepaalde strikte voorwaarden, om de vrijheid van handel en nijverheid niet te ondermijnen.

Uiteindelijk is het de rechter die een belangrijke rol speelt in de beoordeling van de rechtmatigheid van het beding.

Bron: Caluwaerts Uytterhoeven

» Bekijk alle artikels: Handel & Consument, Verbintenissen & Goederen