Generatieve AI
in de juridische praktijk
Dr. Wim De Mulder (KU Leuven)
Webinar op donderdag 25 februari 2027
Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?
Overweeg dan zeker onze voordeelformules!
Krijg toegang tot +250 opleidingen
Live & on demand webinars
Met tussenkomst van de kmo-portefeuille
Mededingingsrecht:
recente ontwikkelingen
Mr. Melissa Van Schoorisse (Covington)
Webinar op vrijdag 25 september 2026
De vergoedingsverplichting van financiële instellingen na phishing (Gevaco Advocaten)
Auteurs: Jan Swennen & Louisa Van Looy (Gevaco Advocaten)
Is de beschikking van de kortgedingrechter van 26 mei 2026 een gamechanger?
Phishing-dossiers maken intussen een vast onderdeel uit van onze dagelijkse praktijk. In eerdere bijdragen informeerden wij u al meermaals over deze problematiek.
De uitspraak van de kortgedingrechter van 26 mei 2026 luidt een trendbreuk in. Wij informeren u in deze bijdrage over de betekenis van deze uitspraak.
Wat heeft de rechtbank beslist?
Voor de rechtbank werd gevorderd dat een bankinstelling de slachtoffers van phishing onmiddellijk zou terugbetalen. Die vordering werd toegekend. De slachtoffers waren hoogbejaard en zagen zich beroofd van hun vermogen.
De rechtbank baseerde zich op het Wetboek Economisch Recht (WER), dat bepaalt dat een bank bij niet-toegestane transacties verplicht is om slachtoffers “onmiddellijk en uiterlijk tegen het einde van de eerstvolgende werkdag” terug te betalen.
Vooreerst oordeelde de rechtbank dat een dergelijke vordering per definitie hoogdringend is, precies omdat de wet een onmiddellijke terugbetaling voorschrijft. Dit rechtvaardigt de bevoegdheid van de kortgedingrechter.
Van belang is verder dat de rechtbank uitdrukkelijk motiveert dat zij niet gehouden is om te onderzoeken of de frauduleuze betaling al dan niet met akkoord van de slachtoffers heeft plaatsgevonden. Immers, als de slachtoffers codes zouden hebben doorgegeven aan de fraudeurs is er wettelijk gezien mogelijk sprake van een zgn. “toegestane betaling” terwijl de wet bepaalt dat de zgn. voorlopige en onmiddellijke terugbetalingsverplichting van de bank enkel geldt als er sprake is van een zgn. “niet-toegestane betaling”.
De rechtbank meent dat de discussie of het om een “toegestane” dan wel “niet-toegestane betaling” gaat een erg moeilijke, omvangrijke en vaak technische discussie is. Een dergelijk onderzoek is moeilijk verenigbaar met de wettelijke verplichting tot terugbetaling binnen één werkdag. In het kader van een kortgedingprocedure is er volgens de rechtbank dan ook geen plaats voor deze discussie.
Daarnaast acht de rechtbank het evenmin haar taak om na te gaan of de slachtoffers al dan niet grof nalatig waren. Recent is op Europees niveau het advies verstrekt dat de plicht tot onmiddellijke terugbetaling ook geldt zelfs bij vermoeden van grove nalatigheid van de slachtoffers.
De beoordeling van mogelijke grove nalatigheid blijft wel relevant, maar enkel in een latere procedure ten gronde, waar finaal wordt beslist wie het verlies van de fraude moet dragen.
Tot slot benadrukt de rechtbank dat de terugbetaling door de bank voorlopig is. Het staat de bank vrij om nadien, in een procedure ten gronde, het terugbetaalde bedrag terug te vorderen van de slachtoffers. Pas in die fase wordt definitief geoordeeld of sprake is van een toegestane dan wel niet-toegestane betaling en of de betaler al dan niet grof nalatig was.
Met andere woorden, pas in fase II moet worden uitgemaakt of de bank dan wel het slachtoffer het geleden verlies moet dragen.
Wat te denken van deze uitspraak?
De beschikking van de korgedingrechter van 26 mei 2026 is uitvoerig gemotiveerd. De rechtbank is duidelijk niet over 1 nacht ijs gegaan.
Ons lijkt de achilleshiel van deze beschikking het oordeel van de rechtbank dat het niet relevant is om na te gaan of het om een toegestane dan wel niet-toegestane betaling handelt terwijl de wettekst m.b.t. de voorlopige terugbetalingsverplichting in art VII. 43 WER wel uitdrukkelijk vermeldt dat het moet gaan om een “niet- toegestane” betaling. Om dan bij voorbaat te oordelen dat dit onderscheid niet moet worden onderzocht, lijkt ons voor discussie vatbaar. In deze uitspraak wordt aan de bank zelfs de kans niet geboden om aan te tonen dat het om een toegestane betaling zou handelen en er bijgevolg niet zou moeten worden (terug)betaald.
Gezien het uitzonderlijk groot belang van deze uitspraak lijkt het dan ook een quasi-zekerheid dat de bank naar het Hof van Beroep zal trekken. Zo mocht het Hof anders oordelen, blijft alles bij het oude. Minstens nog enkele maanden onzekerheid troef.
Is deze uitspraak een “gamechanger”?
Het is antwoord is volmondig “JA”. De spelregels worden drastisch gewijzigd. De bank moet voortaan eerst zelf (voorlopig) terugbetalen en het is dan aan de bank om initiatief te nemen om het geld terug te vorderen van de slachtoffers. Totaal andere spelregels dus.
Tot nu toe moesten de slachtoffers naar de rechter of naar Ombudsfin trekken om de banken te horen veroordelen tot terugbetaling van het door de slachtoffers geleden verlies. De rollen worden nu volledig omgekeerd aangezien de bank eerst zal moeten betalen en vervolgens zelf naar de rechter zal moeten trekken om het door haar reeds vergoede bedrag terug te eisen. In dat geval draagt de bank de bewijslast van haar vordering en dat is steeds een fundamenteel andere rechtspositie dan de bank tot nu doorgaans had.
Deze uitspraak is goed nieuws voor de consument.
Mogelijk kan deze beslissing de banken inspireren om hun betaalsystemen veiliger te maken en meer in te zetten op het recupereren van stortingen naar criminelen. Bij herhaling hebben wij in het verleden aangeklaagd dat banken onvoldoende inzetten op recuperatie van zelfs “niet-toegestane” betalingen. Het bleef de bank als het ware eender dat hun rekeninghouders werden getroffen. Dat verandert drastisch door deze uitspraak. De bank moet minstens eerst, weze het voorlopig, de slachtoffers vergoeden en dat raakt haar rechtstreeks in haar vermogen. In die zin zou deze rechterlijke uitspraak onrechtstreeks kunnen bijdragen tot het veiliger maken van ons dagdagelijks betalingsverkeer.
Wat te doen als u slachtoffer bent?
Slachtoffers doen er goed aan te overwegen om hun bank aan te spreken op de verplichting tot onmiddellijke (voorlopige) terugbetaling.
Wel moet men zich ervan bewust zijn dat de bank het bedrag nadien kan terugvorderen, vermeerderd met intresten en gerechtskosten, indien uiteindelijk blijkt dat de betaling toch als toegestaan wordt beschouwd of dat sprake is van grove nalatigheid. In dat geval kan de financiële last alsnog bij het slachtoffer terechtkomen.
Wij verwachten niet dat de banken hun houding zullen wijzigen hetgeen mogelijk zal leiden tot een vloedgolf aan procedures. In die zin is het van groot belang dat er snel rechtszekerheid komt.
Bron: Gevaco Advocaten
» Bekijk alle artikels: Handel & Consument












