Cassatie 5 mei 2021. De strafrechtelijke roeping van de delegatie van bevoegdheden (Waeterinckx Advocaten)

Auteur: Patrick Waeterinckx (Waeterinckx Advocaten)

Publicatiedatum: 28/06/2021

Eiseres in cassatie, een fiduciaire, werd als dader of deelnemer vervolgd voor o.m. valsheid in geschriften en gebruik in de jaarrekening van een bedrijf dat deel uitmaakte van de portefeuille van een andere fiduciaire waarvan zij het cliënteel had overgekocht maar tegelijkertijd aan haar het beheer had gedelegeerd.

Voor de appelrechters had eiseres aangevoerd dat er tussen haar en de overdragende fiduciaire een delegatie van bevoegdheden was overeengekomen. Daarbij beargumenteerde eiseres dat hiermee de strafrechtelijke verantwoordelijkheid om de boekhouding van het overgedragen cliënteel bij te houden was overgedragen en dat de haar tenlastegelegde feiten haar niet konden worden toegerekend. Daarbij had eiseres in haar beroepsconclusies expliciet verwezen naar die delegatie van bevoegdheden overeengekomen tussen haar en de overdragende fiduciaire.

In de feiten hadden de appelrechters geoordeeld dat de ingeroepen delegatie van bevoegdheden eiseres niet onthief van haar strafrechtelijke verantwoordelijkheid omdat zij via natuurlijke personen had gehandeld met het doel om in naam van haar cliënten stukken en verklaringen bestemd voor de administratie te tekenen en neer te leggen.

In cassatie werpt eiseres op dat een delegatie van bevoegdheden een grond van niet toerekeningsvatbaarheid omvat die zij bovendien geloofwaardig had gemaakt waardoor het dus aan de vervolgende partij was om dit te weerleggen.

In antwoord hierop herhaalt het Hof van Cassatie nog eens wat een delegatie van bevoegdheden behelst. Er is sprake van delegatie van bevoegdheden wanneer één persoon een taak van leiding en toezicht die hem is toevertrouwd en waarvan de niet-naleving strafrechtelijk wordt beteugeld, aan een andere persoon delegeert.

Daarbij preciseert het Hof van Cassatie (terecht) dat het gevolg hiervan is dat de gedelegeerde zich weliswaar moet verantwoorden voor zijn foutief gedrag, maar dat zulks niet als gevolg heeft dat de verantwoordelijkheid voor misdrijven gepleegd door de delegerende aan hem wordt toegerekend.

Het Hof van Cassatie voegt nog toe dat behoudens andersluidende wettelijke bepaling, een onderneming die geenszins persoonlijk deelnam aan de inbreuk haar strafrechtelijke verantwoordelijkheid kan ontlopen als zij aantoont haar bevoegdheden te hebben gedelegeerd aan een persoon met de vereiste bekwaamheid en gezag, en aan die persoon daartoe ook de vereiste middelen heeft verschaft.

Uit die overwegingen besluit het Hof van Cassatie dat de stelling van eiseres dat het met voldoende waarschijnlijkheid aanvoeren van een delegatie van bevoegdheden de beklaagde zou ontheffen van zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid op grond van een vermoeden van niet toerekenbaarheid dat moet worden omgekeerd door de vervolgende partij, faalt naar recht.

Dit arrest biedt nog eens de gelegenheid om kort de principes van de delegatie van bevoegdheden te overlopen.

De erkenning van deze rechtsfiguur bestaat in het Belgische recht sinds een arrest van het Hof van Cassatie van 11 januari 1965 (Cass. 11 januari 1965, Pas. 1965, I, 458-459). Uit dat arrest blijkt expliciet dat een bestuurder belast met het dagelijks bestuur van de vennootschap, gemachtigd is om zijn bevoegdheden te delegeren aan elk personeelslid van wie hij denkt dat het gepast is.

Twee jaar later benadrukte het Hof van Cassatie uitdrukkelijk dat het dagelijks bestuur van een vennootschap immers niet impliceert dat de afgevaardigde bestuurder op strafrechtelijk gebied ipso facto verantwoordelijk is voor alle inbreuken en fouten begaan door andere bestuurders of aangestelden in de uitoefening van de hen toevertrouwde taken (Cass. 13 februari 1967, Pas. 1967, I, 922).

Er is (zoals ook uit het hier besproken arrest van 5 mei 2021 blijkt) sprake van delegatie van bevoegdheden wanneer een persoon een taak van leiding en toezicht die hem is toevertrouwd en waarvan de niet-naleving strafrechtelijk wordt beteugeld, aan een andere persoon delegeert.

Het voornaamste kenmerk van de delegatie van bevoegdheden in het strafrecht berust in de overdracht van een taak van toezicht of leiding, wat betekent dat de gedelegeerde meer moet zijn dan de louter materiële uitvoerder van een beslissing genomen door diegene die delegeert.

De delegatie van bevoegdheden omvat de handeling, in een heel brede betekenis, via welke de vennootschap of haar bestuurder, gehouden aan de verplichting te waken over het naleven van de strafwetgeving, aan een andere bepaalde natuurlijke persoon of rechtspersoon, met de vereiste bekwaamheid, gezag en de middelen, zijn bevoegdheden en taken overdraagt om in zijn plaats te waken over het naleven van de strafwet.

Zowel het Belgische als het Franse Hof van Cassatie (en ook diverse hoven en rechtbanken) oordeelden al geregeld – impliciet dan wel expliciet – dat delegatie in ondernemingen van een belangrijke omvang noodzakelijk is. De consequentie daarvan is dat dit bij gebreke van delegatie niet zelden wordt beschouwd als een onzorgvuldigheid in het bestuur van de organisatie.

Er kan m.a.w. aangenomen worden dat de delegatie van bevoegdheden meer een verplichting dan een beleidskeuze uitmaakt voor het merendeel van de ondernemingen. Het is een zorgvuldigheidsplicht binnen het raam van het deugdelijke ondernemingsbestuur. Telkens het voor de onderneming en/of de bedrijfsleiding onmogelijk wordt om er zelf steeds voor te zorgen dat de op de onderneming rustende wettelijke verplichtingen worden nageleefd, is het voor hen aangewezen om een deel van hun bevoegdheden te delegeren.

Het is noodzakelijk in ondernemingen van een zekere grootte dat bevoegdheden op een transparante manier worden toevertrouwd aan de personen die zich in een positie bevinden om werkelijk te handelen en te doen handelen volgens de wettelijke norm. De delegatie is onvermijdelijk geworden in het bestaan van de moderne ondernemingen omwille van de spreiding van de activiteitenlocaties, de exploitatiezetels en werven, de verscheidenheid in bekwaamheden, de noodzaak aan voortdurend toezicht, technische vereisten en minutieuze reglementeringen.

Het uitgangspunt is bijgevolg zonder meer dat het in ondernemingen van enige omvang noodzakelijk is dat de bevoegdheden op een transparante wijze worden gelegd bij diegenen die daadwerkelijk normconform kunnen handelen en laten handelen.

De wetgever heeft met deze realiteit trouwens rekening gehouden, aangezien in veel normen, inbreuken worden toegerekend aan de werkgever, lasthebbers, aangestelden, bestuurders, directeurs, enz. … (wettelijke toerekening).

Opdat een delegatie de delegerende zou bevrijden van zijn strafrechtelijke verantwoordelijkheid, is vereist dat:

  • de delegatie zonder fout en bedrog plaatsvindt;
  • de delegatie gericht is op een welbepaalde deelactiviteit (een algemene delegatie is niet toegelaten);
  • de delegatie duidelijk en expliciet is;
  • de gedelegeerde de delegatie van bevoegdheden heeft aanvaard en volledig op de hoogte werd gebracht van de grenzen en de omvang van zijn opdracht;
  • de delegatie een effectieve overdracht van bevoegdheden inhoudt;
  • de persoon aan wie wordt gedelegeerd, de bekwaamheid, het gezag en de nodige middelen bezit om zijn opdracht uit te voeren; en
  • er regelmatig toezicht wordt uitgeoefend op de uitvoering van de gedelegeerde taken van leiding en toezicht.

De bevoegdheden die men aan een persoon toekent moeten gepaard gaan met gezag, competentie en middelen, nodig voor de gedelegeerde om daadwerkelijk inbreuken te voorkomen. De gedelegeerde is dus een persoon bekleed met het gezag en beschikkend over de bekwaamheid die nodig zijn om over het naleven van de wet te waken. Die bevoegdheid kan in tijd en ruimte zijn beperkt.

Het bestaan en de geldigheid van de delegatie zijn aan geen enkele vormvoorwaarde onderworpen. Hoewel een geschreven neerslag de bewijsvoering kan vergemakkelijken, levert dit daarom nog geen garantie op voor een geldige delegatie vanuit strafrechtelijk oogpunt. Wat telt is de daadwerkelijke overdracht van bevoegdheden, die zelfs stilzwijgend kan gebeuren.

Wat zijn nu de gevolgen van een geldige delegatie van bevoegdheden?

In geval van een rechtsgeldige (sub)delegatie die door de rechter wordt aanvaard, verschuift de strafrechtelijke verantwoordelijkheid naar de gedelegeerde, tenzij die met succes een rechtvaardigingsgrond of een schulduitsluitingsgrond kan inroepen. Het risico van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid als dusdanig verdwijnt dus niet. Het geheel is alleen transparanter, het risico lokaliseerbaar en behandelbaar, omdat het wordt gelegd bij diegene die het beste geplaatst is om het te beheersen.

Maar, en dit blijkt ook uit het hier thans besproken arrest van het Hof van Cassatie van 5 mei 2021, zelfs een geldige delegatie zal niet verhinderen dat de delegerende ook wordt veroordeeld naast de gedelegeerde wanneer zou vaststaan dat eerstgenoemde zelf een fout heeft begaan, los van die waarvoor de gedelegeerde terechtstaat. Het Hof van Cassatie verwoordde dit zo:

La délégation de pouvoirs a pour conséquence que le délégataire doit répondre de son comportement fautif. Elle ne met pas à sa charge la responsabilité des infractions commises par le délégant. Il ne s’agit pas, en effet, d’une convention d’exonération de la responsabilité pénale.”

Het voorgaande impliceert bijvoorbeeld dat een delegerende, gelet op zijn toezichtplicht, zal moeten ingrijpen als hij vaststelt dat de gedelegeerde uiteindelijk niet opgewassen blijkt tegen de hem gedelegeerde taken. Anders begaat de delegerende zelf een fout.

Wat echter verwondert is dat de hele discussie over de al of niet exonererende werking van de delegatie in de zaak die aanleiding gaf tot het arrest van 5 mei 2021, zich afspeelde tegen de achtergrond van een opzettelijk misdrijf, nl. valsheid in geschriften in de jaarrekening en het gebruik ervan. Dergelijk misdrijf vereist als moreel bestanddeel bedrieglijk opzet.

Volgens sommige auteurs is delegatie zelfs uitsluitend zinvol voor deze onachtzaamheidsmisdrijven en heeft ze geen relevantie voor opzettelijke misdrijven. Die rechtsleer beargumenteert dat voor deze laatste misdrijven er maar twee mogelijkheden zijn. Ofwel heeft de delegerende actief deelgenomen aan het misdrijf en is hij te beschouwen als een dader of deelnemer. Ofwel is hij volledig onwetend van het opzettelijk misdrijf en kan het hem niet worden toegerekend. De delegerende wordt m.a.w. afgerekend op zijn eigen opzettelijk crimineel gedrag (wat ook het Cassatiearrest overweegt).

Niettemin kan delegatie van bevoegdheden toch nog zinvol zijn in de context van fraude omwille van  het risicobeheersingeffect dat uitgaat van deze figuur. Delegatie van bevoegdheden werkt fraudeverhinderend. Het bestaan van fraude vereist immers drie componenten (zgn. fraudedriehoek): de druk/reden (bv. prestatiedruk, persoonlijke schulden enz.); de gelegenheid (zij maakt wel degelijk de dief) en de rationalisatie die maakt dat de fraudeur zijn fraude kan verantwoorden. Via een gedegen (vanuit het liability risk management ontwikkelde) taakverdeling (want dat is een delegatie uiteindelijk) gekoppeld aan een doorgedreven monitoring beperkt een organisatie aanzienlijk de gelegenheid om te frauderen.

Lees hier het originele artikel