Sociaal strafwetboek:
een grondige hervorming werd goedgekeurd

Mr. Kenny Decruyenaere en mr. Veerle Van Keirsbilck (Claeys & Engels)

Webinar op donderdag 5 december 2024


Boek 7 ‘Bijzondere contracten’
en de impact voor de bouw- en vastgoedsector

Prof. dr. Kristof Uytterhoeven (Caluwaerts Uytterhoeven)

Webinar op donderdag 7 november 2024


De nieuwe wet op de private opsporing

Dhr. Bart De Bie (i-Force) en mr. Stijn De Meulenaer (Everest)

Webinar op donderdag 17 oktober 2024


Het nieuwe Boek 6:
de impact op de werkvloer

Mr. Chris Persyn (Cautius)

Webinar op donderdag 4 juli 2024


Recente wetgevende ontwikkelingen
met impact op de bouwsector

Prof. dr. Kristof Uytterhoeven (Caluwaerts Uytterhoeven)

Webinar op dinsdag 27 augustus 2024

Waarde van de gegevens uit de bevolkingsregisters – rechters roepen de administratie tot de orde (Ichiban Consult)

Auteur: Jan Lambrechts (Ichiban Consult)

We merken het steeds vaker dat de belastingdienst tal van conclusies trekt over de gezinstoestand van belastingplichtigen, louter en alleen op basis van de gegevens uit het bevolkingsregister.

Even vaak stellen we vast dat dergelijke conclusies voorbarig zijn en dat de gegevens uit het bevolkingsregister op zich geen absoluut sluitend bewijs van de achterliggende feiten oplevert. Het gaat slechts om een indicie, die dient getoetst te worden aan alle overige feiten en omstandigheden uit het dossier, en die louter op zich geen doorslaggevende bewijswaarde heeft.

Echter steeds vaker stellen we vast dat de administratie er een gewoonte van heeft gemaakt geschillen te beginnen over de gezinssamenstelling van de belastingplichtigen, louter en alleen gebaseerd op de gegevens uit het bevolkingsregister, die bovendien niet verder werden onderzocht. Veel van deze geschillen blijken achteraf onvoldoende  gefundeerd te zijn.

In dit licht verwijzen we naar een recente zaak, die voorkwam voor het Hof van beroep van Antwerpen dd. 19.12.2023 (Rol nr 2022/AR/1192).

Het geschil betreft een uit de echtgescheiden man, die tijdig zijn belastingaangifte had ingediend, waarin 4 minderjarige kinderen als personen fiscaal ten laste werden opgenomen. De administratie betwist vervolgens dat de kinderen wel degelijk deel uitmaakten van het gezin van betrokkene, louter op grond van de vaststelling dat de kinderen gedomicilieerd waren op het adres van de moeder, zijnde de ex-echtgenote.

Gelet op de tijdige en regelmatige aangifte was het echter aan de fiscus om actief het bewijs te leveren  om (in toepassing van de artikelen 339 en 340 WIB 1992) aan te tonen dat de aangifte van de vier kinderen ten laste de facto onjuist was.

Het hof wijst erop dat, in tegendeel tot wat de administratie beweert, er geen sprake is van enig wettelijk vermoeden in deze materie. Het is wettelijk geheel niet vereist dat de kinderen op 1 januari van het aanslagjaar ingeschreven zouden zijn in de bevolkingsregisters van de gemeente waar de vader zijn woonplaats heeft (zie ook Com.IB., nr. 136/15).

De inschrijving in het bevolkingsregister vormt volgens het hof slechts één van de feitelijk elementen, die in aanmerking kunnen worden genomen als bewijs van de woonplaats van de kinderen. Dit gegeven op zich is echter niet doorslaggevend en moet verder getoetst worden aan de concrete achterliggende feitelijke realiteit.

Voor de toepassing van de wet (artikel 136 WIB 1992) diende dan ook nader te worden onderzocht of de vier kinderen deel uitmaakten van het gezin van de vader voor de betrokken jaren, ongeacht de burgerlijke domiciliëring op het adres van de moeder.

Het hof stelde vast dat er geen sprake was van gewijzigde omstandigheden in vergelijking tot voorgaande jaren, waardoor men zou kunnen beweren dat de kinderen op 1 januari van de betrokken aanslagjaren niet meer werkelijk en hoofdzakelijk deel uit zouden hebben gemaakt van het gezin van de vader. Dat de kinderen overeenkomstig de echtscheidingsakte (echtscheiding met onderlinge toestemming) werden gedomicilieerd bij hun moeder en dat deze laatste gerechtigd was het kindergeld en alle sociale uitkeringen te ontvangen, doet aan dit alles geen afbreuk.

Het hof merkt ook nog op dat de administratie na bezwaar en na onderzoek voor een vorig aanslagjaar (2014) reeds had aanvaard dat de vier kinderen als fiscaal ten laste van de vader moesten worden beschouwd. Na onderzoek was aanvaard dat aan de voorwaarden van artikel 136 WIB 1992 was voldaan. Het gaat om een rechtsgeldige beslissing over een feitenkwestie en dergelijke beslissing is dan niet in strijd met het legaliteitsbeginsel. Wel had de administratie op die manier gewettigde verwachtingen gewekt bij de vader, die zij ook dient in te lossen de latere aanslagjaren 2018 en 2019 omdat er geen wijziging bleek te zijn opgetreden in de feitelijke omstandigheden. Door deze verwachtingen niet te honoreren, heeft de administratie het vertrouwensbeginsel geschonden.

Het arrest bevestigt duidelijk dat de inschrijving in de bevolkingsregisters op zich geen doorslaggevend bewijs vormt van de gezinssamenstelling van de belastingplichtige. De recente aanpak van de administratie om zich enkel hierop de baseren bij het inkohieren van aanslagen is in wezen louter willekeurig, tenzij er ook andere feitelijke elementen in het dossier kunnen worden opgeworpen.

In het licht van dit arrest kan enkel maar gehoopt worden dat de administratie op het terrein met meer zorg alle feiten en omstandigheden in een dossier gaat onderzoeken. Het is hoog tijd dat opgehouden wordt om zich louter en alleen op de gegevens uit de bevolkingsregisters te baseren om conclusies te trekken over de gezinssamenstelling. Het arrest heeft bovendien een veel verdere reikwijdte dan enkel kinderen ten laste. Dezelfde beginselen spelen net zo goed voor andere belangrijke zaken waaronder ook de toepassing van het huwelijksquotiënt.

Ook wat betreft het fiscaal inwonerschap van belastingplichtigen wordt heden ten dage ten onrechte enkel maar naar de inschrijving in de bevolkingsregisters gekeken. Dit geeft aanleiding tot tal van fouten en geschillen in het taxatieproces, ook in die gevallen waarin niet alle leden van een gezin in een Belgische gemeente zijn ingeschreven of wanneer niet alle gezinsleden op hetzelfde moment in de tijd in de registers van een bepaalde gemeente worden opgenomen . Het aantal onterechte aanslagen in de personenbelasting van personen, die eigenlijk in de belasting van niet-inwoners thuishoren, is de afgelopen jaren schrikbarend toegenomen.

Erger nog, zo stellen we met grote regelmaat de onterechte weigering vast om leden van eenzelfde gezin, met zetel in het buitenland (partner en kinderen), fiscaal in aanmerking te nemen voor fundamentele zaken als het huwelijksquotiënt en de kinderen ten laste in hoofde van de in België belastbare partner. Het gevolg hiervan zijn al snel duizenden Euro aan belasting, die ten onrechte worden gevorderd. Dit blijkt tegenwoordig jammer genoeg tot de dagelijkse praktijk te behoren. Bij betwistingen in deze materie stellen we een bijzondere verbetenheid vast bij de behandelende ambtenaren om toch maar het hoger vermelde administratieve standpunt door te drukken in het nadeel van de belastingplichtige. Het laatste is over deze materie nog lang niet gezegd.

Bron: Ichiban Consult

» Bekijk alle artikels: Geschillen & Procedure