Drafting agreements in English: mastering the consequences

Webinar op 11 mei 2023

Het verbintenissenrecht
anno 2023:
12 actuele kernvragen
(Incl. handboek)

Webinar op 7 februari 2023

De bedrijfsleider en strafrechtelijk risicobeheer

Webinar op 10 februari 2023

De uitbreiding van de fiscale
aanslag- en onderzoekstermijnen

Webinar op 26 januari 2023

Het nieuwe bewijsrecht:
maar wat nu in de praktijk?

Webinar op 27 januari 

Voordeelpakket
‘Beslag, borgstelling en zekerheden’

 4 webinars on demand

Vordering van de tegenpartij ontvankelijk, maar gegrond. Kan men dan in hoger beroep de ontvankelijkheid van de vordering alsnog ter discussie stellen? Cassatie 9 december 2022 (Omega Law)

Auteur: Sven Sobrie (Omega Law)

Stel dat u in eerste aanleg de rechter verzoekt om de vordering van de tegenpartij “ontvankelijk doch ongegrond” te verklaren. De rechter verklaart de vordering ontvankelijk maar wel degelijk gegrond.

Kan u dan in hoger beroep de ontvankelijkheid van de vordering alsnog ter discussie stellen? Of hebt u er geen belang bij om hoger beroep in te stellen tegen de ontvankelijkheidsbeslissing van de eerste rechter, die immers werd gewezen in overeenstemming met uw besluiten op dit punt?

Deze kwestie toont de dualiteit aan van het ‘belang’. Bepaalde auteurs hebben ter zake een onderscheid gemaakt tussen het materieelrechtelijk en het procesrechtelijk belang (K. BROECKX, Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding, Antwerpen, Maklu, 1995, 66-67).

Enerzijds hebt u een ‘materieelrechtelijk’ belang bij de hervorming van de ontvankelijkheidsbeslissing. Deze beslissing raakt immers uw rechtspositie op een nadelige wijze.

Anderzijds hebt u ‘procesrechtelijk’ voor de eerste rechter wel verkregen wat u gevorderd hebt.

Welk belang primeert dan?

In onderstaand arrest bevestigt het Hof van Cassatie dat u wel degelijk op ontvankelijke wijze hoger beroep kan instellen tegen de ontvankelijkheidsbeslissing van de eerste rechter.

Daarmee bevestigt én versterkt het zijn eerdere rechtspraak.

Zo oordeelde het Hof al enige tijd geleden dat de vergoedingen onder de Arbeidsongevallenwet de openbare orde raken, zodat de begunstigde die in eerste aanleg een bepaald bedrag had gevorderd én verkregen, hoger beroep kan instellen wanneer hij vaststelt dat hij krachtens de wet eigenlijk aanspraak kan maken op een hoger bedrag (Cass. 16 juni 1986, AR 5135). De ‘openbare orde’ vormde dus een eerste opening voor de in het gelijk gestelde procespartij.

Enige tijd later oordeelde het Hof dat een partij hoger beroep kan instellen wanneer de vordering in eerste aanleg, die volledig werd ingewilligd, berustte op een vergissing (Cass. 15 september 2006, C.05.0304.N). Opening nr. 2.

En nu oordeelt het Hof, in vrij algemene bewoordingen, dat men een belang heeft “wanneer het hoger beroep strekt tot het herstel van een vergissing of een verzuim of tot de aanvulling van rechtsgronden die hadden kunnen leiden tot een andersluidende, voor deze partij gunstige beslissing van de eerste rechter”

Daarmee lijkt de deur van het materieelrechtelijk belang volledig opengebeukt.

Wat overigens de vraag doet rijzen in welke mate het Hof zijn eigen rechtspraak nog kan handhaven inzake de ontvankelijkheid van cassatiemiddelen. Wanneer een partij de ontvankelijkheid van het hoger beroep heeft aanvaard, heeft zij geen belang om tegen die ontvankelijkheidsbeslissing in cassatie op te komen (Cass. 22 januari 2015, C.13.0532.F). Het belangvereiste bij hoger beroep wordt m.a.w. anders (materieel) ingevuld dan het belangvereiste bij cassatieberoep (procedureel).

Quosque tandem?

Lees hier het Cassatie-arrest van 9 december 2022