Drafting agreements in English: mastering the consequences

Webinar op 11 mei 2023

Contracten anno 2023:
een praktijkgerichte blik
(Incl. handboek)

Webinar op 7 februari 2023

De bedrijfsleider en strafrechtelijk risicobeheer

Webinar op 10 februari 2023

De uitbreiding van de fiscale
aanslag- en onderzoekstermijnen

Webinar op 26 januari 2023

Het nieuwe bewijsrecht:
maar wat nu in de praktijk?

Webinar op 27 januari 

Voordeelpakket
‘Beslag, borgstelling en zekerheden’

 4 webinars on demand

Toepassing in de rechtspraak van het nieuwe artikel 8.4, lid 5 BW: de omkering van de bewijslast (Eska Law)

Auteur: Eska Law

In een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen werd door het Hof het nieuwe artikel 8.4, lid Burgerlijk Wetboek toegepast waarbij de bewijslast werd omgekeerd waardoor deze kwam te rusten op de verwerende partij.

In principe rust de bewijslast op de eisende partij, met name diegene die meent een ander te kunnen aanspreken. De eiser dient aldus het bewijs aan te leveren van de rechtshandelingen of feiten die hij aanhaalt.

Art. 8.4. Regels die de bewijslast bepalen

Lid 1: Hij die meent een ander in rechte te kunnen aanspreken, moet de rechtshandelingen of feiten bewijzen die daaraan ten grondslag liggen.”

Wanneer echter sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, kan volgens artikel 8.4., lid 5 BW de rechter bepalen wie de bewijslast draagt. De rechter kan echter pas van deze mogelijkheid gebruik maken wanneer hij alle nuttige onderzoeksmaatregelen heeft bevolen en erover gewaakt heeft dat de partijen meewerken aan de bewijsvoering, zonder op de manier voldoende bewijs te verkrijgen.

Dit was het geval in de zaak die voor het Hof van Beroep te Antwerpen werd voorgelegd.

In casu sprak een patiënt die een ziekenhuisinfectie na een behandeling had opgelopen, het ziekenhuis aan die hem behandeld had om reden dat het ziekenhuis onvoldoende veiligheidsmaatregelen had genomen om een infectie te vermijden.

Conform artikel 8.4., lid 1 BW rustte de bewijslast op de patiënt en diende deze aan te tonen dat het ziekenhuis haar inspanningsverbintenis had geschonden doordat onvoldoende hygiënische maatregelen werden genomen.

Hiertoe werd door de patiënt aan het ziekenhuis gevraagd om haar gegevens over dit veiligheidsbeleid over te maken zodat kon worden uitgemaakt of al dan niet voldoende inspanningen werden verricht om de hygiëne te waarborgen en aldus ziekenhuisinfecties te vermijden.

Het ziekenhuis weigerde echter deze informatie over te maken en stelde dat zij niet over deze gegevens beschikte. Zelfs op vraag van de gerechtsdeskundige werden deze gegevens niet overgemaakt. Nochtans is volgens de ziekenhuiswetgeving het ziekenhuis verplicht om gegevens te bewaren over het hygiënebeleid.

De rechter zag zich in dat geval genoodzaakt om in toepassing van artikel 8.4., lid 5 BW de bewijslast om te draaien en deze te leggen bij het ziekenhuis zelf.

Het ziekenhuis diende aldus aan te tonen dat het weldegelijk voldoende inspanningen had geleverd en voorzorgsmaatregelen had genomen om infecties te vermijden.

Aangezien het ziekenhuis effectief niet over deze gegevens beschikte, was er niet alleen sprake van een inbreuk op de ziekenhuis wetgeving maar slaagde zij aldus niet in haar bewijslast en oordeelde het Hof dat sprake was van een schending door het ziekenhuis van haar inspanningsverbintenis.

Het ziekenhuis werd bijgevolg aansprakelijk gesteld voor de infectie die de patiënt had opgelopen, begroot op 30% van de schade die de patiënt had geleden door de infectie.

T.Gez. 2021-22, afl. 5, 418-421.

Bron: Eska Law