Generatieve AI
in de juridische praktijk

Dr. Wim De Mulder (KU Leuven)

Webinar op donderdag 25 februari 2027


Consumentenrecht anno 2027

Mr. Pieter Callens (Eubelius)

Webinar op vrijdag 19 februari 2027


Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?

Overweeg dan zeker onze voordeelformules!

 

Krijg toegang tot +250 opleidingen

Live & on demand webinars


Antiwitwaskader:
de fundamentele wijzigingen
vanaf 10 juli 2027

Mr. Stijn De Meulenaer (Everest)

Webinar op vrijdag 16 april 2026


Ondernemingsstrafrecht:
de ingrijpende wijzigingen vanaf 1 september 2026

Mr. Stijn De Meulenaer en mr. Danique Van Mechelen (Everest)

Webinar op dinsdag 24 november 2026

Schorsingsarrest Pakawi Park: Raad van State schept duidelijkheid over de bewijslast in het bestuursrecht (GSJ Advocaten)

Auteur: GSJ Advocaten

Wie moet het bewijs van bepaalde feiten leveren in het bestuursrecht? En welke rol speelt het vermoeden van wettigheid bij de verdeling van de bewijslast? In het zeer recente schorsingsarrest van 3 november 2026 over Pakawi Park neemt de Raad van State daarover een opvallend duidelijk standpunt in.

Deze uitspraak is niet alleen relevant in de context van het dierenwelzijn. Ze bevat een aantal principiële overwegingen over het bewijs van feiten, zorgvuldig feitenonderzoek en de verhouding tussen bestuur en bestuurde die ook in het ruimere bestuursrecht van belang zijn.

Centraal in het arrest staat de beslissing van de Vlaams minister bevoegd voor Dierenwelzijn van 12 oktober 2026. De minister besliste om de erkenning van dierenverblijven van dierentuin Pakawi Park te schorsen en in te trekken. Pakawi Park vroeg de Raad van State om de tenuitvoerlegging van die beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te schorsen. De bestuurlijke beslissing steunt op vaststellingen die tijdens eerdere controles werden gedaan. De laatste controle dateerde van 1 april 2025. Pakawi Park voerde aan dat intussen een heel aantal remediëringsmaatregelen werd genomen. Pakawi Park verwees daarvoor naar concrete stukken en informatie.

In deze zaak staan twee vragen centraal. Wie moet het bewijs leveren van de feiten die aan een bestuurlijke beslissing ten grondslag liggen? En wat wordt verwacht van een bestuurde die deze feiten betwist? Om die vragen te beantwoorden, vertrekt de Raad van State vanuit het materiëlemotiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur. Uit die beginselen volgt dat een bestuurlijke beslissing moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen. Het bestuur moet zijn beslissing zorgvuldig voorbereiden en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk onderzoeken, zodat het met kennis van zaken kan beslissen.

De Raad kwalificeert het schorsen en intrekken van de erkenning hier prima facie als een vorm van probleemverhelpend bestuurlijk handhaven. Daaruit volgt volgens de Raad dat de bewijslast in deze zaak op de verwerende partij rust. Zij moet bewijzen dat Pakawi Park op het ogenblik van de bestreden beslissing niet langer aan de erkenningsvoorwaarden voldeed. Het komt dus aan het bestuur toe om het bewijs te leveren van de feitelijke gegevens waarop het deze beslissing steunt.

De Raad benadrukt daarbij uitdrukkelijk dat het vermoeden van wettigheid dat bestuurlijke beslissingen genieten niet zorgt voor een omkering van de bewijslast in het nadeel van de bestuurde. De bestuurde hoeft dus niet zelf de onjuistheid van de feitelijke grondslag te bewijzen om dat vermoeden te ontkrachten. Op hem rust wel een aanvoerings- en onderbouwingslast. Hij moet met concrete gegevens of aanwijzingen onderbouwen waarom hij die feiten betwist.

Deze principiële verdeling van de bewijslast wordt vervolgens concreet toegepast op de feiten in de zaak. De minister ging ervan uit dat de eerdere vaststellingen konden volstaan en dat Pakawi Park moest bewijzen dat die niet langer actueel waren. Daarmee keert de minister volgens de Raad van State prima facie de bewijslast om. In die omstandigheden volstaat het niet om de door Pakawi Park aangeleverde informatie af te wijzen omdat zij niet wordt gestaafd met objectieve en controleerbare gegevens, het park ongeloofwaardig zou zijn, geen garantie zou bieden op een tijdige, structurele of duurzame oplossing, of bepaalde zaken onduidelijk zou laten. De minister toont daarmee prima facie niet aan dat de beslissing steunt op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen.

Ook de plicht tot zorgvuldig feitenonderzoek vereist hier meer. Twijfelt het bestuur aan de geloofwaardigheid of controleerbaarheid van de verstrekte informatie, dan komt het in deze omstandigheden aan het bestuur toe om zich ter plaatse te vergewissen of de vroegere vaststellingen nog actueel zijn en een voldoende feitelijke grondslag bieden voor de beslissing. Dit geldt des te meer wanneer de vaststellingen meer dan anderhalf jaar oud zijn en Pakawi Park op omstandig gedocumenteerde wijze aangeeft maatregelen te hebben genomen om de vastgestelde problemen te verhelpen. Het bestuur had dit nagelaten. De Raad stelt dan ook prima facie een schending van het materiëlemotiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel vast en schorst de beslissing van de minister. Omdat het om een schorsingsarrest bij uiterst dringende noodzakelijkheid gaat, betreft dit nog geen definitieve uitspraak ten gronde.

De redenering van de Raad van State sluit nauw aan bij de bewijsrechtelijke analyse die Annelien Stijleman ontwikkelde in haar doctoraat over het bewijs in het bestuursrecht. Daarin wordt benadrukt dat het bestuur steeds in staat moet zijn om te bewijzen dat de feiten waarop het zijn beslissing steunt deugdelijk zijn en zorgvuldig werden onderzocht, ongeacht de aard van de bestuurlijke beslissing. Het vermoeden van wettigheid kan die bewijslast voor het bestuur verlichten, maar zorgt niet voor een omkering ervan in het nadeel van de bestuurde. Het brengt wel mee dat op de bestuurde een aanvoerings- en onderbouwingslast rust wanneer hij de feitelijke grondslag van een bestuurlijke beslissing voor een bestuursrechter wil betwisten. Hij moet met concrete en precieze gegevens of aanwijzingen onderbouwen waarom hij het oneens is met die feiten. Die aanvoerings- en onderbouwingslast doet evenwel geen afbreuk aan de eindverantwoordelijkheid van het bestuur inzake het bewijs van de deugdelijkheid van de feitelijke grondslag van een beslissing.

De commerciële versie van het doctoraat werd uitgegeven bij die Keure en is opnieuw beschikbaar vanaf 12 november 2026 via deze link.

Bron: GSJ Advocaten

» Bekijk alle artikels: Geschillen & Procedure

Boeken in de kijker: