Buitencontractuele aansprakelijkheidsregelingen:
een kritische benadering na de
invoering van Boek 6 BW

Prof. dr. Britt Weyts (UAntwerpen)

Webinar op vrijdag 5 juni 2026


Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?

Overweeg dan zeker ons jaarabonnement 

 

Krijg toegang tot +250 opleidingen

Live & on demand webinars

Met tussenkomst van de kmo-portefeuille


Mededingingsrecht:
recente ontwikkelingen

Mr. Melissa Van Schoorisse (Covington)

Webinar op vrijdag 27 maart 2026


Boek 7 BW.
Een praktische checklist voor ondernemingen

Prof. dr. Thijs Tanghe en mr. Tijl Eggers (Eubelius)

Webinar op donderdag 2 juli 2026

Rechtsmisbruik door onredelijk lang wachten. Ondernemingsrechtbank Brussel 12 november 2025 (Recht op zaterdag)

Auteur: Marc Vandecasteele (Recht op zaterdag)

Artikel 748 §2 van het Gerechtelijk Wetboek voorziet een uitzonderlijke mogelijkheid om af te wijken van vastgestelde conclusietermijnen. Meer bepaald mag een partij die conclusie heeft genomen ten laatste 30 dagen vóór de rechtsdag om een nieuwe conclusietermijn verzoeken als zij “een nieuw en ter zake dienend stuk of feit heeft ontdekt dat nieuwe conclusies rechtvaardigt”. Het verzoekschrift werd tijdig neergelegd. Ontvankelijkheid van het verzoekschrift wordt niet betwist.

De bijgebrachte stukken moet ter zake dienend zijn, wat betekent dat zij rechtstreeks verband moeten houden met de zaak en van die aard kunnen zijn dat ze de rechterlijke beslissing kunnen beïnvloeden Verzoeker verwijst naar boekhoudkundige verwerkingen die blijken uit de laatst neergelegde jaarrekening van tegenpartij en die rechtstreeks betrekking hebben op het voorwerp van het geschil. Maar in casu maakt de jaarrekening van 2024  geen ter zake dienend feit uit.

Faillissement: verzoeker maakt niet duidelijk hoe het faillissement van tegenpartij in het licht van de duidelijke hervatting van het geding door de curator, een nieuw en ter zake dienend feit zou zijn voor het huidige geschil, en beperkt zich tot algemene intentieprocessen. Het faillissement van tegenpartij maakt dus geen ter zake dienend feit uit.

Ten overvloede, zelfs indien de feiten ter zake dienend zouden zijn (wat dus niet het geval is), stelt de rechtbank ook vast dat er sprake is van rechtsmisbruik indien de uitoefening van een recht de [..] normale uitoefening van een recht door een voorzichtig en redelijk persoon in dezelfde omstandigheden te buiten gaat, en rechtsmisbruik vormt.

Er kan van een normaal en redelijk handelende partij worden verwacht dat wanneer zij een nieuw en volgens haar ter zake dienend feit ontdekt dat nieuwe pleidooien rechtvaardigt, zij binnen een redelijke termijn een verzoekschrift in de zin van artikel 748, §2 [instelt], minstens hierover contact opneemt met haar tegenpartij. Onredelijk lang hiermee wachten, zelfs al is de wettelijk bepaalde termijn nog niet verlopen, kan in bepaalde gevallen aanzienlijke proceseconomische gevolgen hebben voor tegenpartij (die zich immers onnodig geconfronteerd ziet met een aanzienlijke verlenging van de procesduur – die had kunnen vermeden worden bij een eerdere instelling van het verzoekschrift) en, in aanvulling op een gebrek aan procesloyaliteit, ook rechtsmisbruik uitmaken.

In het huidige geval werd niet binnen een redelijke termijn dergelijk verzoekschrift ingediend.

Lees hier het vonnis

» Bekijk alle artikels: Geschillen & Procedure

Boeken in de kijker: