Antiwitwasverplichtingen
voor de advocaat

Mr. Stijn De Meulenaer (Everest Advocaten)

Webinar op vrijdag 12 juni 2026


Mededingingsrecht:
recente ontwikkelingen

Mr. Melissa Van Schoorisse (Covington)

Webinar op vrijdag 25 september 2026


Buitencontractuele aansprakelijkheidsregelingen:
een kritische benadering na de
invoering van Boek 6 BW

Prof. dr. Britt Weyts (UAntwerpen)

Webinar op vrijdag 5 juni 2026


Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?

Overweeg dan zeker ons jaarabonnement 

 

Krijg toegang tot +250 opleidingen

Live & on demand webinars

Met tussenkomst van de kmo-portefeuille


Boek 7 BW en de impact voor vasteprijsovereenkomsten

Mr. Joris De Vos en mr. Valentine Vandendriessche (Dentons)

Webinar op vrijdag 12 juni 2026


Boek 7 BW.
Een praktische checklist voor ondernemingen

Prof. dr. Thijs Tanghe en mr. Tijl Eggers (Eubelius)

Webinar op donderdag 2 juli 2026

Proces Kempense Steenkolenmijnen Vriendenkring en miskenning van het recht op verdediging. Cassatieberoep verworpen op 20 januari 2026 (Recht op zaterdag)

Auteur: Marc Vandecasteele (Recht op zaterdag)

Het cassatieberoep was gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 25 juni 2025, onder meer met volgende argumenten inzake het recht op verdediging (eigen selectie):

‘Schending van artikel 6, onder meer artikel 6.1 en 6.2, EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest verwerpt ten onrechte eisers verweer dat de strafvordering niet ontvankelijk is omdat het vermoeden van onschuld werd miskend door de ongeziene perscampagne, met miskenning van het geheim van het gerechtelijk onderzoek, het beroepsgeheim en het inzagerecht, het verspreiden van stukken uit het strafdossier via sociale media door burgerlijke partijen en de verklaringen op Facebook van de Vlaamse minister van Justitie; hierdoor zijn de elementaire waarborgen van een eerlijk strafproces miskend’.

‘Het arrest laat na concreet en in functie van eisers verweer te onderzoeken of de mediacampagne, de publieke uitlatingen van gezagsdragers, waaronder de voorveroordeling van de eiser door de Vlaamse minister van Justitie, en het lekken en verspreiden van dossierstukken via sociale media door de burgerlijke partijen, het vermoeden van onschuld hebben aangetast en verder welke gevolgen deze ingeroepen schending had op het verloop van het strafproces in zijn geheel (eerste onderdeel); de schending van artikel 6.1 EVRM heeft de schending van artikel 6.2 EVRM tot gevolg aangezien de partijdige publieke commentaren doorwerken in het arrest.’

De visie van het Hof van Cassatie

‘Het vermoeden van onschuld wordt beschermd door artikel 6.2 EVRM, dat onderdeel uitmaakt van het recht op een eerlijk proces in strafzaken, zoals gewaarborgd door artikel 6.1 EVRM.
Het recht op een eerlijk proces en het vermoeden van onschuld worden niet miskend door de enkele omstandigheid dat een verdachte of zijn zaak omstandig in de pers of op sociale media wordt becommentarieerd, ook al spreken bepaalde berichten in de pers of op sociale media zich op een negatieve wijze over die verdachte uit of aanzien zij hem als schuldig aan de feiten waarvan hij wordt verdacht voordat er een definitieve gerechtelijke beslissing is tussengekomen.

Die rechten kunnen daarentegen wel worden miskend wanneer uit een officiële verklaring of beslissing met betrekking tot de verdachte de overtuiging van een bij het strafdossier betrokken overheid, zoals een rechter, een lid van het openbaar ministerie of een politieambtenaar, blijkt dat hij schuldig is ondanks het feit dat zijn schuld nog niet wettelijk is vastgesteld. Ook een verklaring van een gezaghebbende politieke persoon, van wie bij het publiek de indruk kan bestaan dat hij zeggenschap over of bijzondere kennis van de zaak heeft, komt in aanmerking.
Dat is echter niet het geval voor wat betreft al dan niet bekende privépersonen of partijen in de zaak, die hun mening over de zaak of over de persoon van de verdachte in de pers of op sociale media uiten.

Aan dergelijke personen kan bovendien niet zonder meer het recht worden ontzegd hun mening te uiten. Evenmin kan van de bevoegde gerechtelijke overheden worden verwacht dat zij onjuiste of ongepaste berichtgeving van dergelijke personen telkens rechtzetten of becommentariëren.

Tot de hier bedoelde personen kan, in een federaal gerechtelijk dossier, ook een minister van Justitie van een deelstaat behoren die zich op sociale media in persoonlijke naam over de zaak of de persoon van de verdachte uitlaat vooraleer een definitieve gerechtelijke beslissing over diens schuld is tussengekomen.

Die persoon kan, ongeacht zijn titel, bij het publiek redelijkerwijze niet de indruk wekken dat hij zeggenschap over of bijzondere kennis van de zaak heeft.

Wanneer een beklaagde aanvoert dat zijn recht op een eerlijk proces en het vermoeden van onschuld zijn miskend als gevolg van een overvloedige en negatieve publieke belangstelling die te wijten is of te wijten moet zijn aan de schending van het geheim van het onderzoek of het beroepsgeheim van een of meerdere bij het onderzoek of de behandeling van de zaak betrokken personen, maar uit het aan de rechter voorgelegde strafdossier niet blijkt dat dit het geval is, is de rechter niet ertoe gehouden een bijzonder onderzoek te voeren naar de persoon of personen die mogelijk hun geheimhoudingsplicht hebben miskend.

In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.’

Lees hier het arrest

 

» Bekijk alle artikels: Geschillen & Procedure

Boeken in de kijker: