Drafting agreements in English: mastering the consequences

Webinar op 11 mei 2023

Schenkingen:
een analyse na 2022

Webinar op 7 maart 2023

Het verbintenissenrecht
anno 2023:
12 actuele kernvragen
(Incl. handboek)

Webinar op 7 februari 2023

Appartementsrecht :
een update in het licht van recente evoluties
(Incl. ‘Handboek Goederenrecht’)

Webinar op 10 februari 2023

Valse contracten? Kanttekeningen inzake contracten en simulatie in fiscalibus

Webinar op 25 mei 2023

De bedrijfsleider en strafrechtelijk risicobeheer

Webinar op 10 februari 2023

Oude(re) overeenkomsten en nieuw bewijsrecht (VDV Advocaten)

Auteur: Ruben Feys (VDV Advocaten)

Sinds 1 november 2020 geldt er in onze rechtsorde een nieuw bewijsrecht.

De uitbreiding van het vrije bewijs is één van de opvallendste wijzigingen vergeleken met de vroegere regeling.

Tussen en tegen ondernemingen is het vrije bewijs van toepassing. Dit bekent dat tussen en tegen ondernemingen in principe door alle middelen van recht bewijs geleverd kan worden. Dit geldt voor alle ondernemingen, m.a.w. ook voor vrije beroepers, landbouwers, vzw’s enz. en voor alle rechtshandelingen.

In dit verband is het zeker vermeldenswaard dat, behoudens tegenbewijs, een door een onderneming aanvaarde of niet binnen een redelijke termijn betwiste factuur tegen deze onderneming bewijs oplevert van de aangevoerde rechtshandeling. Het gaat om een weerlegbaar wettelijk vermoeden dat de aanvaarde factuur overeenstemt met de onderliggende rechtshandeling. Deze bijzondere bewijswaarde van de aanvaarde factuur is niet langer beperkt tot koopverkoopovereenkomsten, maar geldt nu ook voor alle andere overeenkomsten (vb. aannemingsovereenkomst).

Het bewijs tegen een niet-ondernemer is in beginsel onderworpen aan het gereglementeerde bewijsstelsel, wat onder meer inhoudt dat er voor het bewijs tegen een consument tussen de partijen een ondertekend geschrift vereist is voor wederkerige rechtshandelingen van zekere waarde.

De som of waarde van de overeenkomst vanaf dewelke een bewijs door een ondertekend geschrift vereist is, werd evenwel gevoelig opgetrokken. Onder de 3.500 euro is het bewijs door een ondertekend geschrift niet langer vereist en is het bewijs met alle middelen (vb. mailverkeer, sms’en etc.) ook ten aanzien van een niet-onderneming toegestaan.

Beneden de 3.500 euro kan ook het gebrek aan betwisting van een factuur door een persoon die geen onderneming is bewijs tegen die persoon opleveren, op voorwaarde dat de afwezigheid van betwisting van  de factuur een omstandig stilzwijgen uitmaakt (dat niet anders kan worden uitgelegd dan als een aanvaarding). De uitdrukkelijke of stilzwijgende aanvaarding van een factuur door een persoon die geen onderneming is, maakt immers een feitelijk vermoeden uit.

Een belangrijke vraag is hoe het nieuwe bewijsrecht moet worden toegepast in de tijd. Bijvoorbeeld: welke bewijsregels moet de rechter nu toepassen indien hij in een geschil tussen contractspartijen moet oordelen over een overeenkomst die vóór 1 november 2020 tot stand gekomen is?

Het antwoord op die vraag is niet zo duidelijk. Er werd voor het nieuwe bewijsrecht immers geen algemene overgangsregeling uitgewerkt.

Volgens de memorie van toelichting speelt de zogenaamde eerbiedigende werking en dient het oude recht te worden toegepast, terwijl volgens de Raad van State de nieuwe bewijsregeling onmiddellijke werking heeft.

De discussie is van belang.

Stel dat de contractuele wederpartij van een consument ten aanzien van de laatstgenoemde het bewijs moet leveren van een overeenkomst met een waarde tussen de 375 en de 3.500 euro die vóór 1 november 2020 tot stand gekomen is. Onder het oude bewijsrecht dient er een ondertekend geschrift te worden voorgelegd, terwijl het bewijs onder de gelding van de nieuwe wet vrij geleverd kan worden.

In de commentaren aangaande het nieuwe bewijsrecht luidt het vaak dat het nieuwe bewijsrecht van  toepassing is op hangende gedingen voor wat de regels omtrent de bewijslast – wie moet bewijzen? – en (de verlaging van) de bewijsstandaard – met welke intensiteit of graad van zekerheid moet bewezen worden? – betreft. Daarentegen zou de oude wet van toepassing blijven op het bewijs van overeenkomsten die vóór 1 november 2020 afgesloten werden.

In de rechtspraak is die zienswijze herhaaldelijk bevestigd.

In een arrest van 22 december 2020 heeft het hof van beroep te Antwerpen geoordeeld dat het nieuwe bewijsrecht geen terugwerkende kracht heeft, zodat het bewijs van de uitdrukkelijke of stilzwijgende kwijting van de lastgever bewezen moet worden aan de hand van een door de lastgever ondertekend geschrift, wanneer het een som betreft die 375 euro te boven gaat.

In een vonnis van 25 juni 2021 heeft de ondernemingsrechtbank van Luik, afdeling Luik gesteld dat in de regel en behoudens bepalingen van openbare orde of dwingend recht, het bewijsrecht van het oude Burgerlijk Wetboek van toepassing blijft op contractuele betrekkingen die vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet ontstaan zijn.

Ook het Hof van Cassatie, het hoogste rechtscollege, heeft zich al uitgesproken. In een arrest van 4 februari 2021 heeft het Hof gesteld dat de toelaatbaarheid van het bewijs van een contract in de regel beheerst wordt door de wet die van toepassing was op de dag waarop de overeenkomst werd gesloten.

Overeenkomst die dateren van vóór 1 november 2020 en de waarde van 375 euro te boven gaan, lijken dan ook nog steeds aan de hand van een ondertekend geschrift te moeten worden bewezen.

Er is evenwel geen volledige eensgezindheid in de rechtspraak.

In een recent afwijkend vonnis van 3 maart 2022 heeft de rechtbank van Oudenaarde immers geoordeeld dat het bewijs van de totstandkoming van een aannemingsovereenkomst die in januari 2020, dus vóór de inwerkingtreding van het nieuwe bewijsrecht zou zijn gesloten, volgens de regels van het nieuwe bewijsrecht moet worden beoordeeld.

Vermoedelijk zal deze beoordeling weinig navolging krijgen bij andere rechtbanken, maar het gebrek aan een uitgewerkte overgangsregeling voor het nieuwe bewijsrecht blijkt toch niet bevorderlijk te zijn voor de rechtszekerheid in hoofde van de rechtszoekenden.

Bron: VDV Advocaten