Spreken met impact voor juridische beroepen

Webinar op 3 juni 2022

De nietigheid naar huidig en toekomstig verbintenissenrecht

Webinar op 16 juni 2022

Contracten anno 2021

Webinar on demand

Het beslagrecht anders belicht

Webinar on demand

Voordeelpakket
‘Beslag en zekerheden’

3 Webinars on demand

Antiwitwasverplichtingen en ondernemen

Webinar on demand

Onrechtmatig verkregen bewijs in burgerlijke zaken (Belexa Advocaten)

Auteur: Mathieu Malfait (Belexa Advocaten)

Het Hof van Cassatie oordeelde op 14 juni 2021 dat onrechtmatig verkregen bewijs in burgerlijke zaken principieel niet kan worden uitgesloten, tenzij deze onrechtmatigheid ofwel de geloofwaardigheid van het bewijs aantast, ofwel de rechten van verdediging schendt. Hiermee wordt aangesloten bij de Antigoonleer die we kennen uit het strafrecht sinds 2003.

Op 14 oktober 2003 velde het Hof van Cassatie het Antigoonarrest. Het betrof een mijlpaalarrest omdat de traditionele leer sinds 1923 werd verlaten die stelde dat elk onrechtmatig verkregen bewijs steeds uit de debatten moest worden geweerd. Met het Antigoonarrest oordeelde het Hof immers dat onrechtmatig verkregen bewijs voortaan toegelaten moest worden, tenzij in de volgende gevallen:

  • de onrechtmatigheid schendt een op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsregel;
  • de onrechtmatigheid doet afbreuk aan de betrouwbaarheid van het bewijs;
  • het recht op een eerlijk proces wordt geschonden door de onrechtmatigheid.

De Antigoonleer werd doorheen de jaren verder gefinetuned en dit voornamelijk op het vlak van het derde criterium dat nogal als ruim werd ervaren. Daartoe werden subcriteria gebruikt. Zo kon een rechter o.a. rekening houden met het feit of de overheid de onrechtmatigheid al dan niet met opzet heeft begaan, of de onrechtmatigheid in verhouding staat tot de ernst van het misdrijf, enzoverder. Ook de wetgever was gecharmeerd en nam voormelde principes in 2013 op in artikel 32 van de wet houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering.

Ook in burgerlijke zaken stak de Antigoonleer reeds in 2008 voorzichtig de kop op. Bij het verhoren van een werkloze man was immers gebleken dat deze bij zijn broer werkte. Hierop maakte de Politie een kopie van het PV over aan de RVA die prompt overging tot de terugvordering van werkloosheidsuitkeringen. De mededeling van het PV door de Politie aan de RVA was evenwel in strijd met het geheim van het onderzoek zodat de ‘werkloze’ man de wering vroeg van het PV wegens onrechtmatig verkregen bewijs. De discussie kwam voor het Hof van Cassatie en in een arrest van 10 maart 2008 zal het Hof het principe van de Antigoonleer aanhalen. Omdat het onrechtmatig verkregen bewijs in die zaak afkomstig was uit een strafrechtelijk onderzoek was er evenwel discussie of het Hof de Antigoonleer ook toepasselijk had willen maken op burgerlijke zaken.

Ondanks voormeld voorbehoud paste het Hof van Beroep te Antwerpen reeds in 2019 de Antigoonleer principieel toe in een burgerlijke zaak.. Een CEO werd door diens opdrachtgever verweten een liefdesrelatie te onderhouden met de supply chain manager, hetgeen volgens de opdrachtgever de verdere professionele samenwerking met de CEO onmogelijk maakte. De opdrachtgever beriep zich op e-mails die werden uitgewisseld tussen de CEO en de supply chain manager en die in strijd met de Telecomwet werden verkregen. Volgens het Hof van Beroep te Antwerpen doorstonden deze e-mails weliswaar de Antigoontoets, doch bewezen deze uiteindelijk niet dat de professionele samenwerking onmogelijk was geworden.

Met een arrest van 14 juni 2021 neemt het Hof van Cassatie alle twijfels weg. Immers, nadat het Hof van Beroep van Gent een heimelijke opname als onrechtmatig verkregen bewijs had verworpen (er was discussie tussen partijen over de prijs die werd overeengekomen voor de aankoop van een auto waarop één van de partijen een gesprek had uitgelokt dat heimelijk werd opgenomen), oordeelde het Hof van Cassatie dat tenzij wanneer de wet uitdrukkelijk anders bepaalt, het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs in burgerlijke zaken slechts kan worden geweerd indien de bewijsverkrijging de betrouwbaarheid van het bewijs aantast of indien hierdoor het recht op een eerlijk proces in gevaar wordt gebracht. De rechter dient hierbij rekening te houden met al de omstandigheden van de zaak, waaronder de wijze waarop het bewijs werd verkregen, de omstandigheden waarin de onrechtmatigheid werd begaan, de ernst van de onrechtmatigheid en de mate waarin hierdoor het recht van de wederpartij werd geschonden, de bewijsnood van de partij die de onrechtmatigheid beging en de houding van de wederpartij.

Bron: Belexa Advocaten