Drafting agreements in English: mastering the consequences

Webinar op 11 mei 2023

Het verbintenissenrecht
anno 2023:
12 actuele kernvragen
(Incl. handboek)

Webinar op 7 februari 2023

De bedrijfsleider en strafrechtelijk risicobeheer

Webinar op 10 februari 2023

De uitbreiding van de fiscale
aanslag- en onderzoekstermijnen

Webinar op 26 januari 2023

Het nieuwe bewijsrecht:
maar wat nu in de praktijk?

Webinar op 27 januari 

Voordeelpakket
‘Beslag, borgstelling en zekerheden’

 4 webinars on demand

Grondwettelijk Hof bevestigt de voorrang van de rechtspraak van het Hof van Justitie op de rechtspraak van het Hof van Cassatie (Seeds of Law)

Auteurs: Jan Ghysels, Jo Rams, Yves Sacreas en Inge van den Dorpel (Seeds of Law)

Ingevolge het arrest van het Grondwettelijk Hof van 1 december 2022 is een rechtscollege waarnaar het Hof van Cassatie een zaak verwijst voor beoordeling ten gronde, niet langer gebonden door het vernietigingsarrest van het Hof met betrekking tot het beslechte rechtspunt, indien dat cassatiearrest strijdig is met een arrest van het Hof van Justitie dat geveld werd nadat het Hof van Cassatie uitspraak over de zaak deed.

Het Grondwettelijk Hof antwoordt hiermee op een prejudiciële vraag over het artikel 435, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, dat stipuleert dat het gerecht, waarnaar het Hof van Cassatie de zaak opnieuw verwijst, zich moet voegen naar het arrest van het Hof van Cassatie betreffende het door dat Hof beslechte rechtspunt.

1. Wat vooraf ging (in een notedop)

Een persoon ontvangt op 14 december 2012 een nieuw Belgisch rijbewijs nadat hij aangifte gedaan had van het verlies van zijn vorig rijbewijs. De persoon verhuist naar Nederland waar hij op 18 juni 2015 zijn Belgisch rijbewijs inruilt tegen een Nederlands rijbewijs.

De Nederlandse bevoegde diensten stellen echter vast dat het Belgisch rijbewijs dat deze persoon in Nederland inleverde hetzelfde nummer had als het rijbewijs dat hij als verloren had opgegeven op 14 december 2012.

De politierechtbank van West-Vlaanderen, afdeling Brugge, veroordeelt op 28 oktober 2016 die persoon tot de straf van het verval van het recht motorvoertuigen te besturen voor een periode van drie maanden. De persoon zal maar kunnen hersteld worden in zijn recht na te slagen voor examens en na het ondergaan van een medisch en psychologisch onderzoek.

De persoon gaat tegen dit vonnis van de politierechtbank in beroep bij de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, die op 30 juni 2017 het vonnis van de politierechtbank van 28 oktober 2016 bevestigt.

Tegen dat vonnis van 30 juni 2017 wordt beroep ingesteld bij het Hof van Cassatie dat dat vonnis vernietigt met zijn arrest van 11 september 2018. Het Hof van Cassatie oordeelt dat de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen een foutieve interpretatie heeft gegeven aan de Belgische wet die van toepassing is. Die interpretatie zou niet verenigbaar zijn met richtlijn 2006/126/EG betreffende het rijbewijs, zoals die geduid werd door het Hof van Justitie in een arrest van 26 april 2012.

2. Waarom de rechter zich genoodzaakt voelde een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof

Het Hof van Cassatie verwees deze zaak voor nieuwe beoordeling ten gronde naar de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent.

De rechter in Gent stelde vast dat het arrest van het Hof van Cassatie mogelijk strijdig is met een arrest dat het Hof van Justitie inmiddels geveld had op 28 oktober 2020, dus nadat het Hof van Cassatie zijn arrest velde.

De rechter in Gent zag zich voor een problematische keuze gesteld. Enerzijds is hij conform  artikel 435, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering verplicht om zich te voegen naar het arrest van het Hof van Cassatie wat het beslechte rechtspunt betreft. Anderzijds geniet het Europees recht voorrang op het nationale recht, en moet hij – ingeval van strijdige uitspraken – voorrang geven aan de rechtspraak van het Hof van Justitie.

De rechter in Gent heeft zich daarom met een prejudiciële vraag tot het Grondwettelijk Hof gewend. Hij zag zich immers geconfronteerd met twee met elkaar strijdige verplichtingen.

3. Welke prejudiciële vraag heeft de rechter aan het Grondwettelijk Hof gesteld?

De Gentse rechter stelde twee prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof, waarvan de eerste vraag ons hier interesseert.

Zijn vraag luidt of de voornoemde bepaling uit het wetboek van strafvordering het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel (artt. 10 en 11 van de Grondwet) en het recht op toegang tot de rechter (art. 13 Grondwet) schendt, al dan niet samengelezen met het recht op een eerlijk proces (art. 6.1 Europees Verdrag Rechten van de Mens), in die mate dat een rechtscollege op verwijzing het arrest van het Hof moet eerbiedigen en geen recente evoluties in de rechtspraak van gezaghebbende rechtscolleges zoals het Grondwettelijk Hof en het Hof van Justitie in zijn uitspraak kan betrekken, terwijl ieder ander rechtscollege dat een identieke zaak behandelt, die niet is voorgekomen bij het Hof van Cassatie, niet gebonden is door die cassatierechtspraak.

4. Het arrest van het Grondwettelijk Hof

Het Grondwettelijk Hof oordeelde op 1 december 2022 dat het voornoemde artikel 453, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering, door te bepalen dat het gerecht waarnaar het Hof van Cassatie een zaak verwijst zich moet voegen naar het arrest van dat Hof wat het beslechte rechtspunt betreft, niet verzoenbaar is met het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel (artt. 10 en 11 Gw.) en het recht op toegang tot de rechter (art. 13 Gw.), al dan niet samengelezen met het recht op een eerlijk proces (art. 6.1 EVRM), in de mate dat het een procespartij zou verhinderen om zich met betrekking tot dat rechtspunt ter verdediging van haar rechten en belangen te beroepen op rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie die dateert van na het arrest van het Hof van Cassatie.

Tegen het vonnis of arrest dat afwijkt van het arrest van het Hof van Cassatie dient eveneens opnieuw cassatieberoep open te staan.

5. Besluit

De rechter was eigenlijk niet genoodzaakt deze vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen. Immers geniet het Europees recht voorrang, met inbegrip van de rechtspraak van het Hof van Justitie, op het nationale recht. Dat is de normenhiërarchie in de Europese Unie (op een paar weerbarstige lidstaten na).

De verwijzende rechter moest dus sowieso voorrang geven aan het recentere arrest van het Hof van Justitie, ongeacht de bepaling van artikel 435, tweede lid Wetboek van Strafvordering. Dit vloeit immers voort uit de normenhiërarchie zelf. De vraag was dus overbodig.

Het Grondwettelijk Hof had dus ook kunnen oordelen dat de vraag niet diende gesteld te worden, gelet op de normenhiërarchie en het feit dat het Hof van Cassatie in zijn befaamde Smeerkaasarrest van 27 mei 1971 reeds geponeerd had dat verdragen met directe werking voorrang hebben op nationale wetten, met inbegrip van de Grondwet.

Naar aanleiding van het hier besproken arrest van het Grondwettelijk Hof zal de wetgever artikel 435, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering dan ook niet hoeven aanpassen. Het volstaat de normenhiërarchie te honoreren.

Het Gerechtelijk Wetboek bevat een gelijkaardige bepaling als artikel 435, tweede lid Wetboek van Strafvordering, namelijk artikel 1110, lid 4 Gerechtelijk Wetboek. Ook dan geldt de normenhiërarchie en moet er voorrang gegeven worden aan de recentere rechtspraak van het Hof van Justitie. Het arrest van het Grondwettelijk Hof van 1 december 2022 is daarom ook mutatis mutandis van toepassing op artikel 1110, lid 4 Gerechtelijk Wetboek.

Bron: Seeds of Law