Vereffening en schuldeisers:
een analyse aan de hand
van concrete vragen

Mr. Dirk Van Gerven en mr. Ivan Peeter (NautaDutilh)

Webinar op vrijdag 6 februari 2026


Buitencontractuele aansprakelijkheidsregelingen:
een kritische benadering na de
invoering van Boek 6 BW

Prof. dr. Britt Weyts (UAntwerpen)

Webinar op vrijdag 5 juni 2026


Mededingingsrecht:
recente ontwikkelingen

Mr. Melissa Van Schoorisse (Covington)

Webinar op vrijdag 27 maart 2026


Wenst u meerdere opleidingen
te volgen bij LegalLearning?

Overweeg dan zeker ons jaarabonnement 

 

Krijg toegang tot +250 opleidingen

Live & on demand webinars

Met tussenkomst van de kmo-portefeuille


Boek 7 BW.
Een praktische checklist voor ondernemingen

Prof. dr. Thijs Tanghe en mr. Tijl Eggers (Eubelius)

Webinar op donderdag 2 juli 2026

Europees Hof voor de Rechten van de Mens veroordeelt België met een duidelijke boodschap aan justitie: ook de waakhond moet binnen de lijnen blijven (Waeterinckx Van Herpe Advocaten)

Auteur: Helena Kuijl (Waeterinckx Van Herpe Advocaten)

Het EHRM heeft vandaag in de zaak Kaya t. België (nr. 10089/18) ons land veroordeeld wegens een dubbele schending van artikel 6 EVRM, meer bepaald het recht op een onpartijdige rechter en het vermoeden van onschuld.

De uitspraak is bijzonder relevant voor het (ondernemings)strafrecht, waar delicate evenwichten tussen perscommunicatie, de taak van het openbaar ministerie en gerechtelijke waarborgen een cruciale rol spelen.

  1. Schending van de onpartijdigheid van de rechter (art. 6 §1 EVRM)

Het Hof oordeelde dat de betrokkenheid van een magistraat op twee niveaus van dezelfde strafzaak — eerst als (kamer)voorzitter van de correctionele rechtbank (2010), later als raadsheer in het Hof van Cassatie (2017) — objectief gerechtvaardigde twijfel doet ontstaan over de onpartijdigheid.

Het Hof benadrukte dat:

  • de magistraat eerst had geoordeeld over de schuldvraag en vervolgens mee besliste over het cassatieberoep;
  • het ging om dezelfde zaak en dezelfde onderliggende feiten, ook al verschilden de te beoordelen rechtsvragen;
  • noch het feit dat er collegiaal werd gezeteld, noch het tijdsverloop van zeven jaar volstonden om deze twijfel weg te nemen.

Deze uitspraak bevestigt dat rechters niet alleen subjectief onpartijdig moeten zijn, maar ook de schijn van partijdigheid moeten vermijden, zeker in strafzaken.

  1. Schending van het vermoeden van onschuld (art. 6 §2 EVRM)

Daarnaast stelde het Hof dat het vermoeden van onschuld was geschonden door publieke verklaringen van een arbeidsauditeur tijdens een interview in de zakenkrant De Tijd, op een moment dat de strafzaak tegen de betrokkene nog hangende was in beroep.

De arbeidsauditeur had de beklaagde in de pers omschreven als een:

fraudeur véreux qui connaissait les ficelles du métier”      

(vrij vertaald: “gewiekste fraudeur die de kneepjes van het vak kende”)

Hoewel de in eerste aanleg veroordeelde beklaagde door het hof van beroep te Gent net omwille van de schending van het vermoeden van onschuld gedeeltelijk werd vrijgesproken, rekening houdend met voormelde uitlatingen van de arbeidsauditeur, verbrak het Hof van Cassatie deze uitspraak.

De zaak werd naar het Brusselse hof van beroep verwezen, dat besloot dat het vermoeden van onschuld niet geschonden was omdat de communicatie kaderde binnen de vrijheid van meningsuiting en het recht van het publiek op informatie.

De zaak werd opnieuw aan het Hof van Cassatie voorgelegd, dat in 2017 wegens een foutieve berekening van de geldboete een gedeeltelijke verbreking zonder verwijzing uitsprak. Wat de gelaakte schending van de onschuldpresumptie betrof, werd het opgeworpen middel om technische reden (niet alle relevante onderdelen van de bestreden uitspraak werden bekritiseerd) niet-ontvankelijk verklaard.

Het EHRM laat er geen twijfel over bestaan: magistraten — ook wanneer zij niet langer met het dossier belast zijn — dragen een verzwaarde plicht tot terughoudendheid om het vertrouwen in een eerlijk proces te beschermen.

Het Hof benadrukt dat:

  • ook leden van het openbaar ministerie gebonden zijn aan het respect voor de onschuldpresumptie buiten de rechtszaal;
  • dergelijke uitspraken de publieke perceptie van schuld beïnvloeden, terwijl de zaak nog niet definitief was beslecht.
  1. Gevolgen van het arrest

Het EHRM bevestigt dat België zijn rechtssysteem moet inrichten op een wijze die effectief de onpartijdigheid en de onschuldpresumptie waarborgt.

Dit arrest past in een reeks uitspraken waarin het EHRM onderstreept dat de structuur en organisatie van rechtbanken, zeker bij cumulatie van functies, onderworpen zijn aan strikte EVRM‑normen.

  1. Wat betekent dit voor ondernemingen en hun bestuurders?

Voor ondernemingen die in aanraking komen met strafrechtelijke onderzoeken — bijvoorbeeld inzake sociale fraude, fiscale dossiers of economische delicten — onderstreept dit arrest het belang van:

  • voorzichtige communicatie door parketten en inspectiediensten;
  • zorgvuldige bewaking van procedurele waarborgen in mediagevoelige dossiers;
  • alertheid bij mogelijke cumulatie van functies binnen de magistratuur.

Bron: Waeterinckx Van Herpe Advocaten

» Bekijk alle artikels: Geschillen & Procedure

Boeken in de kijker: