Er zijn rechters die wel degelijk erover waken dat een minnelijke schikking geen ‘koopje’ wordt (Waeterinckx Advocaten)

Auteur: Patrick Waeterinckx (Waeterinckx Advocaten)

Publicatiedatum: 13/08/2021

Recent had ik nog de mogelijkheid een webartikel te wijden over het fenomeen ‘superprocureurs’ in aansluiting op een lezenswaardige bijdrage van mijn achtbare confrater Hugo Lamon rond dat thema.

In de marge van het onderwerp botste ik onvermijdelijk op het aspect van de buitengerechtelijke afhandeling, waarvan de (verruimde) minnelijke schikking geregeld onder artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering (Sv.) de meest gekende is. Zij gaat door het gemene leven als de ‘afkoopwet’. Verder zal ik de term ‘minnelijke schikking’ gebruiken.

Ik benadrukte in mijn bijdrage dat het noodzakelijk is om o.a. de minnelijke schikking qua doeltreffendheid voortdurend kritisch te evalueren. Echter werd ook aangestipt dat er heel weinig empirisch onderzoek bestaat naar de toepassing van de minnelijke schikking en dat men nogal vlug vervalt in niet gefundeerde polemieken met oneliners als “klassenjustitie”, “alleen weggelegd voor de happy few”, enz.

Nochtans wierp relatief recent richtinggevend empirisch materiaal toch enigszins een ander licht op de toepassing van de minnelijke schikking. Hoewel die studie slechts een aanzet is tot verder onderzoek bleek al vrij snel dat oneliners waarmee ze vandaag wordt bekritiseerd wellicht op de schop kunnen.

Eén van die veel gehoorde oneliners is dat men (vnl. zogenaamde rijken) van zijn strafvervolging afkomt met een koopje. Die bewering is zoveel als zeggen dat als de strafvervolging reeds was ingesteld en de rechters dus de schikking tussen openbaar ministerie en de vervolgde partij(en) moeten homologeren hun werk niet naar behoren zouden doen.

Het is dan ook interessant als een praktische casus ‘voorbijkomt’ die toelaat om dergelijke beweringen te toetsen. Welnu deze gelegenheid dient zich aan met een arrest van het hof van beroep van Luik van 17 juni 2021. Dit arrest werd geveld nadat de correctionele rechtbank in eerste aanleg een minnelijke schikking niet had gehomologeerd en zowel openbaar ministerie als de vervolgde partij tegen die beslissing hoger beroep hadden aangetekend.

Alvorens die beslissing te bespreken is het nuttig om nog even de homologatievoorwaarden in herinnering te brengen.

Art. 216bis, § 2, lid 8 Sv. bepaalt dat ‘de bevoegde rechter’ oordeelt over de geldigheid van de voorgestelde minnelijke schikking en deze bekrachtigt. Tijdens de vonnisfase (wat hier het geval was), wordt hiermee de strafrechter bedoeld bij wie de zaak aanhangig is en die moet oordelen over de tenlasteleggingen die naar tijd en ruimte het voorwerp uitmaken van de minnelijke schikking.

Die controletaak is beperkt tot volgende punten:

  • (1) is voldaan aan de materiële toepassingsvoorwaarden voor een minnelijke schikking van artikel 216bis, § 1, eerste lid Sv. Dit zijn:
    • 1° het feit lijkt niet van aard te zijn dat het gestraft moet worden met een hoofdstraf van meer dan twee jaar correctionele gevangenisstraf, en
    • 2° het feit houdt geen zware aantasting in van de lichamelijke integriteit;
  • (2) werden de slachtoffers vergoed voor minstens het niet-betwiste gedeelte van hun burgerlijke vordering met schriftelijke erkenning van burgerrechtelijke aansprakelijkheid, en – ingeval van fiscale of sociale misdrijven – of alle belastingen of sociale bijdragen (inclusief de interesten) zijn betaald, en of de fiscale of sociale administratie met de minnelijke schikking heeft ingestemd;
  • (3) heeft de vervolgde partij zijn toestemming voor de minnelijke schikking weloverwogen (met voldoende kennis van zaken) en uit vrije wil gegeven;
  • (4) in hoeverre is de door de procureur des Konings voorgestelde minnelijke schikking proportioneel met de ernst van de feiten en de persoonlijkheid van de vervolgde persoon.

In casu overloopt het hof van beroep te Luik minutieus of deze voorwaarden in het bestreden vonnis van de eerste rechter werden gerespecteerd. Alvorens die toetsing te maken benadrukt het hof nog eens dat het aan het openbaar ministerie toekomt, om binnen de perken van de richtlijnen van het strafrechtelijk beleid te oordelen over de opportuniteit van het al of niet vervolgen. Het hof onderstreept daarbij nog eens dat zulks volgens de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof geen inbreuk omvat op het gelijkheidsbeginsel.

Na deze algemene overweging benadrukt het hof dat de voorgestelde schikking de homologatietoets van de rechter moet doorstaan. Die heeft zowel betrekking op de wettigheid als op de proportionaliteit wat impliceert dat het bedrag van de schikking niet louter wordt overgelaten aan de appreciatie van het openbaar ministerie. Voor de daadwerkelijke toets brengt het hof van beroep ook nog eens de andere voorwaarden in herinnering.

In de effectieve homologatietoets komt het hof tot de volgende vaststellingen:

  • de vervolgde partij had zijn toestemming voor de minnelijke schikking weloverwogen en uit vrije wil gegeven. Dit met bijstand van een raadsman;
  • in het schikkingsakkoord werd ook het bedrag gemotiveerd rekening houdend met het tijdsverloop, de rol van elke betrokkene en hun persoonlijkheid;
  • de eerste rechter had vastgesteld dat geen rekening was gehouden met de kosten van de deskundige.

Wat betreft dit laatste stelde het hof vast dat hoewel het openbaar ministerie kan bepalen of het voorgestelde bedrag wordt verhoogd met die kosten, het finaal de homologatierechter toekomt om na te gaan of die beslissing behoorlijk is gemotiveerd en proportioneel is met de gepleegde feiten.

De eerste rechter was alvast van mening dat dit niet het geval was en weigerde om die reden de schikking te homologeren.

Uiteindelijk zal het hof van beroep de eerste rechter daarin volgen daar het vaststelt dat alleen al het aandeel van de vervolgde partij in de kost van de deskundige het voorgestelde bedrag van de schikking dekte.

Verder stelde het hof van beroep vast op basis van de vordering tot verbeurdverklaring t.a.v. een beklaagde die niet had geschikt, dat het aandeel van de beklaagde die wel had geschikt, zelfs rekening houdend met alle milderende aspecten, bij een veroordeling toch zou hebben geleid tot enige verbeurdverklaring.

Het hof besloot dan ook om de eerste rechter te volgen in diens beslissing om de minnelijke schikking niet te homologeren. Alvast geeft deze zaak aan dat ‘koopjes’ bij het schikken niet zo vanzelfsprekend zijn. Gelukkig maar …, en opnieuw een bewijs dat een grondige doorlichting van de homologatiebeslissingen wellicht meer licht in de duisternis van de oneliners kan brengen.