Een procedure: wat moet dat kosten en wie gaat dat betalen? (Gevaco Advocaten)

Auteur: Valerie Ghysen (Gevaco Advocaten)

Publicatiedatum: 07/06/2021

Op 1 juni 2021 werden de tarieven van de rechtsplegingsvergoeding voor een derde keer geïndexeerd. Een goed moment dus om de kosten die gepaard gaan met een procedure nog eens onder de loep te nemen.

Welke kosten?

Een procedure wordt meestal ingeleid door middel van een dagvaarding, deze dagvaarding wordt aan de tegenpartij ter kennis gebracht (betekend) door een deurwaarder De tarieven van de gerechtsdeurwaarder zijn wettelijk bepaald. De kost ligt gemiddeld tussen de 150 à 300 euro.

Ook de Belgische staat rekent kosten aan voor het voeren van een procedure. Het rolrecht kan begrepen worden als een belasting die wordt geheven op de inschrijving van een zaak op de rol van een rechtbank. De Belgische Staat vordert het rolrecht in na de procedure. Ook deze tarieven zijn wettelijk vastgelegd, en verschillen per instantie:

  • Vredegerecht en Politierechtbank – 50,0 EUR
  • Rechtbank van eerste aanleg en Ondernemingsrechtbank – 165,0 EUR
  • Hof van Beroep – 400,0 EUR
  • Hof van Cassatie – 650,0 EUR

Voor procedures bij de arbeidsrechtbank en voor insolventieprocedures bij de ondernemingsrechtbank worden geen rolrechten aangerekend.

Naast het rolrecht is ook een bijdrage verschuldigd voor het Fonds tot Begroting van de Juridische Tweedelijnsbijstand. Deze bijdrage bedraagt 20 EUR en is vooraf te betalen. De partij die de procedure opstart schiet deze kost dus voor.

Een partij die zich in het kader van een procedure laat bijstaan door een advocaat, kan aanspraak maken op een rechtsplegingsvergoeding. De rechtsplegingsvergoeding (RPV) is een forfaitaire en dus gedeeltelijke tegemoetkoming in de kosten van een advocaat. Het bedrag van de RPV wordt bepaald aan de hand van wettelijk vastgelegde tarieven die zijn ingedeeld al naargelang de waarde van een geschil. Er is per schijf een minimumbedrag, een basisbedrag en een maximumbedrag vastgelegd. In principe is het basisbedrag verschuldigd, maar onder bepaalde voorwaarden kan hier mits uitdrukkelijk verzoek van worden afgeweken. De bij wet vastgelegde minima en maxima zijn desgevallend de onder- en bovengrens. De tarieven zijn laatst gewijzigd op 1.06.2021, en kunnen via deze link worden geraadpleegd.

De kosten van een door de rechtbank bevolen deskundigenonderzoek en getuigenverhoor, behoren ook tot de gerechtskosten. De partij die het meest gebaat is bij het onderzoek, dient deze kosten voor te schieten.

Wie betaalt?

In principe dienen de kosten van een procedure te worden gedragen door de partij die in het ongelijk wordt gesteld.

De veroordeling van een partij tot de kosten van de procedure moet expliciet gevraagd worden aan de rechtbank. De rechter kan hier dus niet op eigen initiatief over beslissen. Van belang is dat de kostenopgave duidelijk gebeurt, de kosten expliciet begroot worden, en indien men wil afwijken van de basisrechtsplegingsvergoeding men dit gemotiveerd vraagt aan de rechtbank.

Soms beslist de rechtbank om de kosten “om te slaan”. Dit wil zeggen dat deze niet integraal ten laste van een bepaalde partij worden gelegd, maar dat elke partij een deel van de kosten draagt. Dit gebeurt vaak wanneer een vordering slechts voor een deel wordt toegekend, of wanneer zowel hoofd- en tegenvordering beiden ontvankelijk en gegrond zijn. Beide partijen hebben dan tegelijkertijd gelijk en ongelijk, waardoor zich dus een verdeling van kosten opdringt.

De dagvaardingskost, de bijdrage aan het Fonds Juridische Tweedelijnsbijstand, eventuele kosten van een deskundigenonderzoek en de rechtsplegingsvergoeding worden tussen partijen verhaald op basis het vonnis. Het rolrecht wordt geïnd door de Belgische Staat. Na het vonnis ontvangt de partij die werd veroordeeld tot betaling van het rolrecht een betaalbericht van de FOD Financiën.

Lees hier het originele artikel