Het nieuwe Boek 6 en de impact
voor de bouw- en vastgoedsector:
10 aandachtspunten

Prof. dr. Kristof Uytterhoeven (Caluwaerts Uytterhoeven)

Webinar op dinsdag 23 april 2024


Vereffening-verdeling van nalatenschappen:
16 probleemstellingen

Mr. Nathalie Labeeuw (Cazimir)

Webinar op vrijdag 26 april 2024


Buitencontractuele aansprakelijkheid:
het nieuwe boek 6 is een feit

Prof. dr. Ignace Claeys en prof. dr. Thijs Tanghe (Eubelius)

Webinar op dinsdag 5 maart 2024


Aandachtspunten bij het opstellen
en analyseren van ICT-contracten

Mr. Lynn Pype en mr. Liesa Boghaert (Timelex)

Webinar op donderdag 16 mei 2024


Tewerkstelling van buitenlandse werknemers:
nakende ingrijpende wijzigingen

Mr. Sophie Maes en mr. Simon Albers (Claeys & Engels)

Webinar op donderdag 25 april 2024


Het nieuwe Boek 6 en de impact inzake verzekeringen:
een analyse aan de hand van 10 knelpunten

Mr. Sandra Lodewijckx en mr. Pieter-Jan Van Mierlo (Lydian)

Webinar op vrijdag 26 april 2024

Discussie over het ereloon van een advocaat: Cassatie 6 september 2022 (LegalNews)

Auteur: LegalNews

De visie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 30 september 2021 in hoger beroep:

Verwijzend naar de redenen van de eerste rechter stelde de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen op 30 september 2022 vast dat het advocatenkantoor, eiser in de procedure, aanspraak maakt op een ereloon en kosten ten bedrage van 5.786,84 euro, waarvan provisies van 1.000 euro en 1.500 euro werden betaald.

De betwisting had betrekking op de omvang van de door het advocatenkantoor geleverde prestaties aan het uurtarief van 175 euro en de geleverde prestaties van medewerkers aan een ander tarief.

Volgens de rechtbank beperkt de beoordeling van de rechtbank zich niet alleen tot een louter marginale toetsing aangezien het gaat over de beoordeling van een zuiver feitelijk gegeven en valt  onder deze beoordeling ook het onderzoek naar het bewijs van de aanrekenbaarheid van de gefactureerde uren door het kantoor. Volgens de rechtbank is het zo dat het gegeven dat het advocatenkantoor op de prestatiestaat een aantal uren van zichzelf of haar medewerkers in rekening brengt, haar niet ontslaat van het bewijs dat deze uren kunnen worden aangerekend aan de cliënt.

Cliënten voeren aan dat de door de advocaatkantoor aangerekende prestaties van 18 uur en 45 minuten voor het opstellen van de beroepsakte niet kunnen worden aangenomen omdat deze akte grotendeels overeenstemt met de feitelijke en juridische uiteenzetting in de conclusies in eerste aanleg en dat het advocatenkantoor niet aantoont dat er voor het opstellen van de beroepsakte een diepgaande analyse van de rechtspraak diende uitgevoerd te worden of werd uitgevoerd. Bovendien bevat de beroepsakte weliswaar een uiteenzetting van de grieven, maar worden er geen beduidend nieuwe middelen of argumenten toegevoegd die een tijdsbesteding van 18 uur en 45 minuten aantonen. Het advocatenkantoor toont ook niet aan dat zij 45 minuten nodig had om de beroepsakte ter griffie neer te leggen en de analyse van het in de door het advocatenkantoor behandelde zaak beroepen vonnis geen tijdsbesteding van 18 uur en 45 minuten verantwoordt voor het opstellen van de beroepsakte.

Volgens de rechtbank blijkt  uit het geheel van de elementen van het dossier dat, wat betreft de beroepsakte, een tijdsbestek van 6 uur is bewezen en bijgevolg kan worden aangerekend, dat voor de redactie van de appelconclusie volgens de prestatiestaat 6 uur en 55 minuten wordt aangerekend, dat de prestaties betreffende de appelconclusie met inbegrip van de studie van de conclusie van de wederpartij niet geheel worden bewezen, dat de studie van de conclusie van de wederpartij slechts betrekking had op minieme aanpassingen en niet over moeilijke juridische kwesties ging, dat de door het advocatenkantoor opgestelde appelconclusie slechts minieme toevoegingen bevatte, welke niet aantonen dat eraan 6 uur en 55 minuten werd gewerkt, dat wat betreft de appelconclusie een tijdsbestek van 3 uur is bewezen en bijgevolg kan worden aangerekend, dat het merendeel van de prestaties met betrekking tot de beroepsakte niet werd geleverd door de advocaat-opdrachthouder maar door een medewerker, dat wat betreft de redactie van de appelconclusie, de omstandigheid dat telkens andere medewerkers werden belast met het dossier evenmin integraal kan worden doorgerekend, dat de interne communicatie binnen het advocatenkantoor, welke niet is terug te vinden in het dossier, naar billijkheid niet aan de cliënt van het kantoor kan worden aangerekend en dat dit alles maakt dat een bedrag van 3.354,22 euro teveel werd aangerekend. 

Het arrest van de Hof van Cassatie op 6 september 2022:

Voor het Hof van Cassatie is de bepaling van het ereloon door een advocaat overeenkomstig artikel 446ter Gerechtelijk Wetboek een partijbeslissing die, wanneer zij wordt betwist, door de rechter kan worden gematigd indien zij kennelijk onredelijk is. De rechter mag zich hierbij niet in de plaats van de advocaat stellen, maar beschikt enkel over een marginaal toetsingsrecht. Indien de partijen een uurtarief zijn overeengekomen, draagt de advocaat de bewijslast van de geleverde prestaties en de berekeningswijze van het ereloon. Wanneer de omvang van het ereloon wordt betwist, toetst de rechter of het aantal aangerekende uren niet kennelijk onredelijk is in welk geval hij het aantal uren herleidt tot de redelijke perken.

De appelrechter die op grond van voormelde redenen de betwiste ereloonstaat van de eiseres vermindert door indeplaatsstelling van een eigen beoordeling van de toepassing van het ereloontarief, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht.

Lees hier het arrest van 6 september 2022

» Bekijk alle artikels: Geschillen & Procedure