De wetgever blaast de minnelijke schikking in strafzaken nieuw leven in : de krachtlijnen (Eubelius)

Auteurs: Tom Bauwens en Catherine Van de Heyning (Eubelius)

Publicatiedatum: 15/12/2017

Het Belgische strafrecht gaf het openbaar ministerie de mogelijkheid om met beklaagden minnelijke schikkingen af te sluiten. Verdachten en beklaagden vermeden door een geldsom te betalen dat de zaak verder werd behandeld. Het Grondwettelijk Hof besloot in 2016 dat deze procedure ongrondwettig was indien er geen grondige rechterlijke toetsing was van deze minnelijke schikkingen. Hier komt de wetgever nu aan tegemoet met een nieuw wetsontwerp. We zetten kort de krachtlijnen en gevolgen hiervan uiteen.

De minnelijke schikking: geliefd en vergruisd

In 2011 breidde de wetgever de mogelijkheid voor minnelijke schikkingen in strafzaken fors uit. Het openbaar ministerie was hierbij mee vragende partij. Zo kon het openbaar ministerie snel complexe dossiers afsluiten via onderhandelingen met de verdachten. Dit betekende dat het openbaar ministerie meer tijd kreeg voor andere dossiers, terwijl het zeker was dat er een geldsom werd betaald.

Ook voor verdachten betekende de minnelijke schikking vaak een meerwaarde: er was snel duidelijkheid over de strafzaak, er moest geen ellenlange procedure met veel onzekerheid meer worden doorlopen en de reputatieschade bleef beperkt doordat er geen openbare procedure plaatsvond.

In de media zijn deze minnelijke schikkingen echter nooit populair geweest. In de praktijk werden ze immers vooral afgesloten in economisch–financiële dossiers, waarbij het beeld werd verspreid dat rijke verdachten hun straf konden afkopen en zo een gevangenisstraf konden ontlopen. Bovendien zijn er suggesties dat deze wetgeving tot stand werd gebracht op vraag van een verdachte in een grootschalig onderzoek (zogenaamde Kazachgate).

Het Grondwettelijk Hof grijpt in: rechterlijke controle is vereist

In 2016 riep het Grondwettelijk Hof de minnelijke schikking in strafzaken tijdelijk een halt toe. Het Hof oordeelde dat er te weinig rechterlijke controle was op de minnelijke schikkingen. Eens de schikking tussen het openbaar ministerie en de verdachte gesloten was, konden de raadkamer of de rechtbank enkel nog controleren of er voldaan was aan de wettelijke vereisten. De rechtbank had geen inspraak in de vraag naar de opportuniteit van de schikking of de redelijkheid van de betaalde geldsom. Het Grondwettelijk Hof besloot dat deze schikkingen ongrondwettig waren in zoverre er geen controle mogelijk was of de geldsom wel proportioneel was en of de verdachte volledig vrij en bewust deze schikking had afgesloten.

Na dit arrest was het lange tijd onduidelijk wat de gevolgen ervan waren. In sommige regio’s sloot het openbaar ministerie nog steeds minnelijke schikkingen, maar toetste de raadkamer deze schikkingen grondig zoals gevraagd door het Grondwettelijk Hof (zo bijvoorbeeld in Gent). In andere regio’s werden geen minnelijke schikkingen meer gesloten (zoals in Antwerpen). In mei van dit jaar kwam het openbaar ministerie dan eindelijk met een interne (niet-publieke) richtlijn waarin stond dat de procureurs des Konings weer minnelijke schikkingen mochten afsluiten, zij het met naleving van de voorwaarden die het Grondwettelijk Hof vooropstelde.

Een nieuwe wet op komst

De voorwaarden voor een minnelijke schikking met informatieplicht aan de fiscale en sociale autoriteiten

Vandaag ligt een nieuw wetsontwerp voor dat de wettelijke regeling aanpast aan de eisen van het Grondwettelijk Hof en verder gaat door een aantal nieuwe eisen in te voeren.

De voorwaarden voor het sluiten van een minnelijke schikking blijven behouden: deze is enkel mogelijk voor misdrijven die de fysieke integriteit niet aantasten (dus bijvoorbeeld niet voor slagen en verwondingen of een aanranding) en die bestraft zouden worden met een gevangenisstraf van maximum twee jaar. Naast de betaling van een geldsom kan het openbaar ministerie ook de verbeurdverklaring van goederen of sommen en de betaling van gerechtskosten opnemen in het voorstel. Bovendien moet de dader de niet-betwiste schade van het slachtoffer vergoed hebben. Indien er sprake is van fiscale of sociale misdrijven moeten ook de verschuldigde belastingen of sociale bijdragen gevorderd door de administratie betaald zijn.

De wet voert echter voor het openbaar ministerie een informatieplicht in ten overstaan van de fiscale en sociale administraties: bij een verzoek tot schikking moet het openbaar ministerie de fiscale of sociale administratie tijdig op de hoogte brengen indien het meent dat ook zij schade hebben geleden door de feiten (bijvoorbeeld bij ernstige fiscale fraude).

De procedure: voorafgaandelijke toetsing door de rechter

Ook na deze nieuwe wet zullen de onderhandelingen over een akkoord tot minnelijke schikking plaatsvinden tussen de verdachte of beklaagde en het openbaar ministerie. Het slachtoffer en de fiscale en sociale administraties zullen hierbij niet betrokken zijn. De wetgever behoudt de mogelijkheid om te schikken zolang er geen eindvonnis of –arrest is uitgesproken.

Eens er een akkoord is, zal dit worden voorgelegd aan de rechter, en dit nog vóór de betaling van de geldsom. Het wetsontwerp voorziet – zoals gevraagd door het Grondwettelijk Hof – in een ruimere toetsing door de raadkamer (bij een schikking tijdens het onderzoek) of de rechtbank (tijdens de procedure ten gronde). De rechter moet de minnelijke schikking op volgende elementen controleren:

  • Is er aan de wettelijke voorwaarden voldaan: is het slachtoffer vergoed (eventueel ook de sociale en fiscale administraties), is geen straf van meer dan twee jaar hoofdgevangenisstraf mogelijk en betreft het geen fysieke misdrijven?
  • Stemt de dader vrij en weloverwogen in met de minnelijke schikking (beseft de dader bijvoorbeeld de gevolgen ervan)?
  • Is de voorgestelde geldsom proportioneel ten opzichte van de ernst van het misdrijf en de persoonlijkheid van de dader?

De rechter krijgt echter geen zeg in de vraag of een schikking al dan niet opportuun is en kan daardoor niet oordelen dat een schikking voor een bepaald type misdrijven of rekening houdend met de persoonlijkheid van de verdachte of beklaagde niet opportuun is.

Indien de rechter oordeelt dat er niet aan de gestelde voorwaarden is voldaan, maakt de rechter de zaak weer over aan de procureur des Konings. Deze kan ervoor kiezen om het onderzoek of de procedure voor de raadkamer of correctionele rechtbank verder te zetten, of een nieuw voorstel doen. Indien er echter geen nieuwe schikking uit de bus komt en de procedure wordt verdergezet, kan de rechter die oordeelde over de schikking niet meer oordelen over de schuldvraag.

De documenten die werden opgemaakt en de mededelingen die werden gedaan tijdens het overleg over de spaak gelopen schikking kunnen niet worden gebruikt als bewijs ten nadele van de dader.

Indien de rechter oordeelt dat er wel voldaan is aan de voorwaarden, zal de strafvordering vervallen zodra de geldsom is betaald.

Wat betekent dit voor de praktijk?

We verwachten dat de grote krijtlijnen van het ontwerp behouden zullen blijven. Wel uitte onder andere de Hoge Raad van Justitie reeds kritiek op het ontwerp en hij deed concrete voorstellen om dit wetsontwerp te verduidelijken en verbeteren.

In elk geval betekent dit ontwerp dat er binnen enige tijd weer een wettelijke basis voor minnelijke schikkingen zou zijn en dat de procureurs des Konings geen reden meer zouden hebben om deze principieel te weigeren.

De vraag is of dergelijke schikkingen nog interessant zullen zijn na de wijzigingen. Voor veel dossiers blijven de voordelen overeind: een snelle procedure met duidelijkheid en buiten de openbaarheid. Bovendien is er nu een rechterlijke toetsing op de proportionaliteit, wat het openbaar ministerie ertoe kan bewegen om zijn eisen te matigen. Tot slot kunnen we alleen maar toejuichen dat de rechter controleert of de “schikker” wel vrijwillig en met kennis van zaken een schikking aangaat, in zover deze controle natuurlijk grondig gebeurt. Dit is des te belangrijker indien het openbaar ministerie een akkoord sluit zonder dat de verdachte of beklaagde werd bijgestaan door een raadsman.

Anderzijds denkt men best tweemaal na in zaken waar sociale of fiscale vorderingen mogelijk zijn. Met de nieuwe wet zal de procureur des Konings nu de sociale of fiscale administratie op de hoogte brengen indien er een verzoek is tot schikking. De betaling van de volgens hen verschuldigde bedragen is een voorwaarde voor het akkoord over een minnelijke schikking.

Waar deze administraties nog niet betrokken waren, riskeert men met een verzoek tot minnelijke schikking hun aandacht te trekken en nieuwe vorderingen tegen zich ingesteld te krijgen. Men vergete daarbij niet dat er over de correctheid en proportionaliteit van de eisen van de administratie geen rechterlijke controle wordt uitgeoefend.

Bovendien moet men ook opletten voor de gevolgen van het afspringen van de onderhandelingen of een verwerping door de rechter van het akkoord. De documenten en mededelingen hierover mogen weliswaar niet als bewijs worden gebruikt, maar de administraties zijn uiteraard wel gealarmeerd en kunnen een eigen onderzoek starten.

Daarnaast zijn er nog tal van procedurele kwesties die onduidelijk zijn. Zal men bijvoorbeeld beroep kunnen aantekenen tegen een beslissing van de rechter die het akkoord afkeurt? Zal er een tegensprekelijk debat plaatsvinden over het akkoord vooraleer de rechter oordeelt over de schikking? En indien dit debat plaatsvindt voor de correctionele rechtbank, zal dit dan met gesloten deuren gebeuren, gelet op de vertrouwelijkheid van de mededelingen in het kader van de besprekingen? De praktijk zal hier verder antwoord op moeten bieden.

De tekst van het wetsontwerp is hier terug te vinden.

Lees hier het originele artikel