Het nieuwe bewijsrecht:
maar wat nu in de praktijk?

Webinar op 27 januari 

Ontslagmotivering:
een praktijkgericht overzicht

Webinar op 17 november 2022

 

 

Cryptomunten:
een stand van zaken

Webinar on demand

Het beslagrecht anders belicht

Webinar on demand

Antiwitwasverplichtingen en ondernemen

Webinar on demand

Aansprakelijkheden als werkgever: een praktijkgerichte update

Webinar on demand

De telefoon van de advocaat (Metis Advocaten)

Auteur: Metis Advocaten

De poging tot vervolging door het parket van een bekend Gents strafpleiter, naar verluidt op basis van een tapgesprek tussen hemzelf en zijn cliënt, heeft heel wat deining veroorzaakt in de juridische wereld maar ook daarbuiten.

Meteen stelt zich de vraag of een getapt gesprek tussen een advocaat en zijn cliënt zomaar mag worden aangewend als bewijs in strafzaken.

Alle gesprekken tussen een advocaat en zijn cliënt zijn immers strikt vertrouwelijk en worden gedekt door het beroepsgeheim.

Schending van dit beroepsgeheim wordt strafrechtelijk beteugeld in artikel 458 van het Strafwetboek.

Bovendien stelt de rechtspraak van het Europees Hof dat de bescherming van het beroepsgeheim ook essentieel deel uitmaakt van het recht op een eerlijk proces.

Dit principe werd recent nog uitdrukkelijk bevestigd door het College van Procureurs-Generaal in een omzendbrief n.a.v. het afluisteren van het vertrouwelijk overleg tussen een advocaat en zijn cliënt voorafgaand aan het verhoor bij de politie.

Wanneer een tapmaatregel wordt uitgevoerd ten aanzien van een cliënt, dan is het natuurlijk mogelijk dat hierbij toevallig ook gesprekken met zijn advocaat worden afgeluisterd.

Hierdoor wordt ontegensprekelijk het beroepsgeheim geschonden.

De wetgever heeft dit probleem echter opgevangen via de regeling voorzien in artikel 90sexies § 3 van het Wetboek van Strafvordering, waarbij communicatie die onder het beroepsgeheim valt niet mag worden opgetekend in het proces-verbaal maar wel onder verzegelde omslag ter griffie moet worden neergelegd.

Gezien deze specifieke en uitdrukkelijke regelgeving in de wet en gezien de Europese rechtspraak die stelt dat het beroepsgeheim wordt beschermd door artikel 6 en 8 van het EVRM, is het onmogelijk om deze vertrouwelijke gesprekken aan te wenden als bewijs in strafzaken.

De Antigoontoets van artikel 32 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering kan, gelet op bovenstaande bescherming, geen soelaas bieden om over deze onrechtmatigheid heen te stappen.

Een tapmaatregel ten aanzien van een advocaat is daarom alleen maar mogelijk wanneer hij zelf verdacht wordt van een misdrijf en waarbij luidens art. 90octies van het Wetboek van Strafvordering deze tapmaatregel dient te gebeuren onder toezicht van de stafhouder.

De wetgever heeft dus voldoende waarborgen ingebouwd opdat niet zomaar kan worden meegeluisterd met de telefoon van de advocaat, en terecht…

Bron: Metis Advocaten